Netwerk DAK - Door Aandacht Kracht
 
Viering van het straatpastoraat

Sinds november ben ik als stagiaire geestelijk begeleider, aan deze bijzondere kerk verbonden. Al als ik aan kom fietsen word ik verwelkomd door een groepje mensen dat voor de kapel in de zon koffie zit te drinken. Op zo'n moment realiseer ik me hoe vertrouwd ik in dat half jaar ben geraakt met deze plek en deze mensen. Ik sluit me bij het groepje aan. De gastheer schenkt koffie voor me in.

De groep breidt zich nog uit tot ongeveer twaalf mensen. Er zijn vrijwilligers, straatmensen en Jan, de pastoraal werker, die vandaag de dienst zal leiden. Om vier uur stelt hij voor om naar binnen te gaan. In de kapel gaan we in een kring zitten. Gido, de koster zit al op zijn vaste plaats een beetje op de achtergrond, vlak bij de plek waar straks de kaarsjes aangestoken zullen worden. Op de stoelen liggen de liedboekjes klaar. Het duurt even voor iedereen zijn draai gevonden heeft. Een oude man, die slecht ter been is, wordt door twee mensen over de drempel geholpen. Als iedereen zit en het enigszins stil is geworden. Neemt Jan het woord.
Hij heet ons welkom en vraagt, zoals dat iedere week gaat, of er nog "nieuws van de straat is". Een paar seconden is iedereen afwachtend en stil. Dan neemt Jos het woord. 'Leo en Sven zijn opgepakt. We weten niet waar ze zitten. En Sjak hebben we al een hele week niet gezien. Niemand weet waar hij is.' Marga valt in: 'En het is niet normaal dat hij niet komt eten bij straatmensen, want hij is er bijna altijd'. Er wordt wat door elkaar heen gepraat. Bijna iedereen kent de mensen die genoemd werden. Het nieuws van de straat bezorgt me soms kippenvel. Het laat zien hoe groot de onderlinge betrokkenheid is. Jan pakt de draad weer op en belooft uit te zoeken in welke bajes Leo en Sven vastzitten. Er wordt meteen afgesproken dat er een kaartje naar deze mannen gestuurd zal worden. Dit neemt Rene op zich. Hij zal straks na afloop de kaarten rond laten gaan, zodat iedereen er iets op kan schrijven. Veel van hen weten uit eigen ervaring hoe belangrijk die kaarten zijn voor mensen die ‘op vakantie zijn gestuurd’, zoals dat genoemd wordt.
Op dat moment komt Christina binnen. Ze komt zelden op tijd. Sommigen irriteren zich zichtbaar als zij ongestoord een stoel voor zichzelf pakt, rustig haar plekje uitkiest, haar tas en blindenstok neerzet en gaat zitten. Christina is slechtziend en van Spaanse afkomst. Haar Nederlands is beperkt en ik heb nog steeds niet kunnen ontdekken hoeveel zij, bijvoorbeeld tijdens een dienst, wel of niet verstaat. Jan richt zich tot haar en vertelt dat we net klaar waren met  het nieuws van de straat. Christina laat hem niet uitpraten en vertelt over een man die ze is tegengekomen en haar iets vroeg, verder kan ik haar niet volgen. Jan laat haar uitpraten, bedankt haar en stelt voor om te gaan zingen. Het vaste lied: Wonen overal, nergens thuis. Bijna iedereen zingt mee. De tekst zegt alles over het leven en beleven van de mensen die hier centraal staan. Er klinkt een prachtige kakofonie van stemmen. Haast niemand zingt op de juiste toonhoogte maar daar hebben we geen van allen last van.
Naast mij zit John. Hij zingt niet want hij kan niet lezen of schrijven. Terwijl ik een poging doe de melodie geen geweld aan te doen, steekt hij in mijn arm, pakt vervolgens mijn vinger en knijpt erin. Ik kijk hem aan, hij grijnst. John, een vriendelijke 50-er woont in een tentje aan de Waal. Hij maakt echt deel uit van de vaste kern van thuis- en daklozen die in Nijmegen leeft. Hij vindt het fijn om naast je te zitten en door die kleine aanrakingen contact te zoeken. Soms doet hij het om te plagen maar het is ook gewoon zijn manier van communiceren. Soms vertelt hij wat hij die dag heeft meegemaakt en af en toe laat hij iets los over zijn verleden. Hij komt niet iedere week naar de dienst. Hij heeft geen goede herinneringen aan de kerk uit zijn jeugd. Als hij er eenmaal is, voelt hij zich er prima thuis.
Na het zingen van het lied volgt meestal het ‘spreekje’. Deze keer stelt Jan voor om eerst even samen stil te zijn. Gido, de koster, schuift op zijn stoel iets naar voren en vraagt: "Heb je vandaag geen wijsheid?"  "Stilte is misschien wel de grootste wijsheid", zegt Jan. Gido grijnst en zegt niets meer. We zijn ongeveer een minuut stil. Ik kijk de kring rond. Sommigen zitten met hun ogen dicht. Anderen kijken naar de grond of kijken voor zich uit. De een heeft de handen gevouwen, de ander de armen over elkaar of de handen in de schoot. Ik glimlach als mijn blik valt op een paar handen die met een sjekkie en een aansteker spelen. Aan de stilte komt als vanzelf een einde. Als Jan het woord wil nemen, is Gido hem voor: "En nu nog een wijsheid."
Jan begint met zijn spreekje. Hij pakt een bellenblaas en blaast wat zeepbellen de ruimte in. Terwijl we naar de zeepbellen kijken legt Jan het verband tussen zeepbellen en geloven. Hoe broos je geloof kan zijn. Dat je het soms heel sterk, bijna tastbaar voelt, bijvoorbeeld straks na de dienst. Maar dat dat gevoel, in de loop van de week, ook zomaar uit elkaar kan spatten, kan verdwijnen. Daarom komen we hier bij elkaar. Om stil te staan bij het leven en hoe we ons voelen. Om ons weer verbonden en geborgen te weten bij God en bij elkaar.
Iedereen luistert en kijkt. Het is stil. Dan vraag Kees ‘Jan, ben jij eigenlijk pastoor of dominee.’ Jan legt uit dat hij pastoraal werker is. Een dergelijke onderbreking is hier niet ongebruikelijk. Iedereen mag zijn wie hij is. Voor sommigen is het onmogelijk zich gedurende de hele dienst te concentreren. Jan rondt zijn verhaal af en zet de cd-speler aan. “O Happy Day” een prachtig lied, even vrolijk als ingetogen. Er wordt hier en daar meegezongen, en sommigen swingen een beetje op hun stoel met de muziek mee. Anderen blijven stil zitten luisteren. Ook zie ik iemand stiekem een traan wegpinken.
Ik bedenk, terwijl ik naar de muziek luister, hoe mooi het is wat hier gebeurt. Mensen komen binnen, druk, moe, chaotisch. Allemaal bezig met hun eigen problemen en dingen van alledag. Tijdens het spreekje gaat de aandacht langzaam naar Jan en stelt bijna iedereen zich open voor het thema dat hij aankaart. Daardoor ontstaat er ‘iets van samen’. En als we dan samen naar muziek luisteren, voel je hoe mensen in zichzelf keren en stil worden. Is dit wat je noemt, dat de Geest de vrije ruimte krijgt om zijn weg te gaan?
Aan het eind van het lied klinkt er buiten wat gerommel. Even later komt Bennie binnen. Door de glazen deur zie ik dat hij zijn winkelwagentje met daarin al zijn bezittingen tegen de muur heeft gezet. Hij mompelt een begroeting. Sommige groeten terug. Andere beginnen zacht te praten. Bennie gaat niet zitten, maar loopt naar het keukentje, en komt kort daarna weer terug. Hij zegt nog steeds niets. Ik schuif een stoel voor hem bij, maar op dat moment gaat hij al ergens anders zitten. Jan verwelkomt hem en zegt dat we net met de gebeden, het aansteken van de kaarsjes, wilden beginnen. Bennie mompelt iets onverstaanbaars. Ik voel hoe de sfeer in de afgelopen minuten is veranderd. De meesten weten dat het niet goed gaat met Bennie, en dan heeft hij zijn emoties niet altijd onder controle.
Jan staat op en gaat naar de kaarsjesstandaard. Gido geeft hem de aansteker. Jan steekt een kaarsje aan en zegt: “Dit kaarsje is voor alle mensen die vast zitten, in het ziekenhuis liggen. Hij steekt er nog een aan en zegt: “Dit kaarsje is voor Rinie. Zijn moeder is afgelopen week overleden, we wensen hem heel veel sterkte’. Jan gaat zitten en iemand anders staat op. ‘Ik steek een kaarsje op voor mijn vader en moeder, mijn zus en mijn zwager en hun kinderen. En eentje voor iedereen die hier is. Tof, bedankt allemaal. Bennie staat weer op en loopt naar het toilet, verschillende ogen volgen hem, maar niemand zegt iets. Een jonge vrouw staat op, pakt een kaarsje en steekt het zonder iets te zeggen aan. Zwijgend, zonder op of om te kijken gaat ze weer zitten. Zo gaat het nog even door. Als er niemand meer op staat legt Gido de aansteker neer.
Zoals gebruikelijk sluiten we de dienst af door samen het Onze Vader te bidden. Niet iedereen bidt mee, niet iedereen kent de tekst van buiten. En aan het eind blijkt iedere keer weer dat er verschillende versies van het Onze vader bestaan.
De dienst is voorbij. Ik blijf even zitten, om het gebeuren tot me door te laten dringen. Maar al snel komt er iemand naast me zitten, we raken aan de praat. Dat napraten is eigenlijk even belangrijk als de dienst zelf. Het een kan niet zonder het ander. We drinken nog een kop koffie en er gaat een zak met belegde boterhammen rond. Ook is er een trommeltje met sigaretten, speciaal voor dit soort momenten.


Elsz de Roos Tekst Elsz de Roos, stagiaire geestelijk begeleider, mei 2007
 

terug
 
 
In Beeld
Activiteiten bij de inloop
meer
 
Wat doet Netwerk DAK?
meer
 
Ons werk wordt mede mogelijk gemaakt door