Netwerk DAK - Door Aandacht Kracht
 
Theologische betekenissen van de presentiebenadering in pastoraat

Download de lezing

Contemplatief pastoraat in de marge van de samenleving -
Lezing voor straatpastoraat en drugspastores, 7 november 2014
                                                                                                          Fred van Iersel
Dames en heren,
Allereerst wil ik de organisatie hartelijk danken voor de uitnodiging om met u mee te denken over uw bijzondere vormen van pastoraat.  U heeft allen een eigen pastorale praktijk, en het is, denk ik, niet aan mij om deze hier en passant fenomenologisch te beschrijven. Dat zou, vind ik, weliswaar werkelijk  heel  interessant kunnen zijn, maar daar is langer lopend onderzoek voor nodig. Voorlopig houd ik het er op dat u als theologen met een pastorale praktijk uitstekend in staat bent om uw eigen werk te beschrijven en  praktisch- theologisch te karakteriseren en funderen.
Wat ik vandaag wel met u zou willen doen is met u meedenken vanuit mijn eerdere werkervaringen. Mijn werkervaringen bestaan uit het vijfendertig jaar doordenken van de religieuze betekenis van geweld, oorlog en vrede, aangevuld met  het doordenken van de betekenis van geestelijke verzorging met gevangenen en vreemdelingen. In de laatste jaren is daar een bredere scope bij gekomen van het doordenken van theologische antropologie, en van de katholieke sociale leer in haar gezonde spanningsverhouding met diaconie en caritas. Van deze drie contexten zal een en ander doorklinken in wat ik naar voren zal proberen te brengen.
Ik denk met u mee door het presenteren van enkele theologische gezichtspunten van waaruit men naar straatpastoraat en drugspastoraat kan kijken. Ik neem overigens op voorhand aan dat er niet alleen lokale verschillen in context en setting bestaan, maar ook verschillen in doelgroepen en problematieken, en daarnaast natuurlijk ook verschillen in persoonlijke accenten wat betreft theologische oriëntaties en pastorale stijlen. Kortom: er zal in de praktijk alleen al op deze gebieden veel variatie zijn. Maar die zullen in het gesprek wel duidelijk worden – u kent ze misschien zelf al. Ik vind het vandaag interessanter om op zoek te gaan naar een theologische duiding van – laat ik zeggen – de  theologische aard en grondslag van uw werk en daarmee ook  naar de pastorale en spirituele onderstroom en de common denominator van uw pastoraat. Mijn beeld van uw werk is dat zich dit aan marge van de burgermaatschappij afspeelt, en daarin goeddeels onzichtbaar is.
Mijn beeld is ook dat uw relatie met de kerken gedifferentieerd is. Kerken faciliteren uw werk, neem ik aan, graag,  en bedden het in- zenden u wellicht.  Maar het is, dunkt mij, niet steeds zo dat deze faciliterende rol breder is ingebed in morele en praktische betrokkenheid van voluit diaconale parochies en gemeentes die zelf ook in die  de marge zijn, of dat u wordt gezien en behandeld als vooruitgeschoven post van de kerken in de samenleving die veel te vertellen en te signaleren heeft bij de kerken. In managementtermen is uw werk, denk ik, goeddeels uitbesteed aan u. Vanuit mijn diaconale verantwoordelijkheden betreur ik dat laatste vermoeden, als het althans klopt. Ik wil echter vandaag niet focussen op die institutionele kant van uw werk, de inbedding in de kerken,  maar op de onderstroom ervan.

Presentie: methode en inhoud
In dat kader zou ik allereerst  willen nadenken over de theologische betekenissen van de presentiebenadering in pastoraat en geestelijke verzorging. Presentie heeft een hoge vlucht genomen in het MA werk in Nederland - , maar ook in pastoraat en geestelijke verzorging. De in het MA werk  ontwikkelde benadering van presentie – natuurlijk het meest bekend in de versie van Andries Baart-  focust op de methode – een methode die ook in andere contexten dan activeringswerk toepasbaar is.  De presentiemethode  berust op de paradox dat men mensen het beste activeert door ze niet van buiten af of van boven af te activeren, maar door te delen in hun context en situatie en zo maximaal bij hun beginsituatie aan te sluiten, onder andere  door ze zelf als subject van hun eigen maatschappelijke praktijk te behandelen, dus niet als afhankelijke hulpvrager. Mensen – zo luidt een aanname – mensen willen zich immers best ontwikkelen en veranderen, maar ze willen niet graag veranderd worden als een object. Hun motivatie, hun ervaring, hun zelfbeeld doen ertoe.  Door deze nadruk op context, beginsituatie en non-interventie neemt  in de presentiemethode  in het maatschappelijk activeringswerk de communicatie een centrale plaats in, en wel de communicatie omtrent de subjectieve betekenis die de complexe context en situatie voor de betrokkenen hebben, en op  hun levensverhaal en het potentieel aan motivatie, sociale competenties en zingeving die hierin besloten liggen. 
Zo bezien vereist de presentiemethode in zekere zin juist een openheid voor betekenisgeving aan de context, de situatie en de levensloop. De methode vraagt om hermeneuse. In deze geest wil ik vandaag focussen op de inhoudelijke betekenis van presentie, in het bijzonder in de context van pastoraat. Op het laatste wil ik hier in gaan door een beeld te geven van het potentieel aan pastorale betekenissen die ik in uw werk zie.  
Wat presentiepastoraat  niet is
In de meest minimale omschrijving wordt presentiepastoraat gekenmerkt door wat het niet is, namelijk interventiegericht pastoraat. Interventiegericht pastoraat kan heel overigens heel zinvol zijn; denkt u maar aan het jongerenpastoraat van Don Bosco (1815-1888) , dat in het gericht was op het uit de criminaliteit halen van jeugdige delinquenten door ze zorg, onderwijs en arbeid te bieden. Zijn werk kan als inspiratiebron worden gezien voor vorming van randgroepjongeren en voor opvang van ex-delinquenten in Exodushuizen.
Over de zin van dit interventiegericht pastoraat in de geest van Don Bosco of in protestantse kring het Leger des Heils in de geest van William Booth (1829-1912) behoeft mijns inziens geen twijfel te bestaan. Maar het is niet altijd mogelijk. Er is een groep van mensen die zo niet bereikt wordt en die in sociaal opzicht verloren dreigt te lopen; een groep van mensen die tijdelijk of chronisch niet in staat zijn tot zelfzorg, zelfredzaamheid en een gestructureerd sedentair leven,  soms ook een complexe psychosociale problematiek met zich meedragen en weinig toegang hebben tot zorgverlenende instituties.  
Presentiepastoraat heeft in antwoord hierop  niet als doel te interveniëren in het leven van mensen in de zin van de oplossing van psychische, sociale of maatschappelijke problemen, of in de zin van genezing zoals bij therapie.  Natuurlijk is het zo dat ook bij uw pastoranten – mensen die op straat leven en drugs patiënten- een probleem zelden alleen komt, en dat het wel degelijk zin heeft als in de maatschappij personen en instellingen zich bekommeren om samenhangende oplossingen. En verkokering in de hulpverlening en zorg moet natuurlijk worden tegengegaan, omdat deze de afzonderlijke instellingen minder effectief maakt en de hulp minder vruchtbaar voor degenen om wie het gaat. Het pastoraat, of de geestelijke verzorging, voor deze mensen is hierop geen uitzondering. Veel diaconaal en caritatief werk in kerken is dan ook  terecht interventiegericht, en het is ook meer gericht op het oplossen van problemen en het bereiken van doelstellingen, al is het maar omdat dit diaconaal-caritatief werk beoogt de pijn van deprivaties metterdaad te verzachten.
De presente pastor heeft naast dit interventiegerichte beleid wel een eigen rol, maar het zou onvruchtbaar zijn als deze rol  verkokerd en  geïsoleerd zou zijn, als ze niet zou voorzien in verwijzingen over en weer, naar diaconie en naar interdisciplinaire samenwerking met bijvoorbeeld maatschappelijk werk en artsen, en als ze niet zou voorzien in overleg met bijvoorbeeld woningbouwcorporaties. Nadenken over het karakteristieke van pastoraat in deze bijzondere settings loopt natuurlijk het risico zich als het ware methodisch te isoleren van de samenwerkingsverbanden en overlegstructuren. Eens te meer is dat risico groot, als het pastoraat opteert voor presentie, terwijl de omringende instellingen en professies meer op interventie gebaseerd zijn – en misschien wel met het volste recht, en nog ‘evidence based ‘ zijn ook.
De keuze voor presentie in het pastoraat kan echter niet alleen gebaseerd zijn op de negatieve keuze, dat het pastoraat niet evidence based is en haar effectiviteit niet empirisch aantoont, noch op het eveneens negatieve inzicht dat zij in psychisch, sociaal, medisch en maatschappelijk opzicht niet probleemoplossend is. Ook is presentiepastoraat geen diaconie en caritas, ook al kan presentiepastoraat wel een diaconale dimensie hebben.  
Dit zijn allemaal negatieve kwalificaties die elk afzonderlijk wellicht waar zijn, maar die wel een noodzakelijke, maar  geen voldoende basis bieden voor de theologische grondslag van dit werk. Want dit werk heeft, althans in mijn visie, een positieve theologische grondslag nodig. En die is er ook; althans: die kan er zijn.
In een eerste positieve karakterisering zou ik presentiepastoraat willen karakteriseren als een vorm van contemplatief pastoraat.
 
Thomas Merton
 Ik ga hiervoor te rade bij de twintigste eeuwse trappist Thomas Merton (1915-1968)  die zelf een voorbeeld was van contemplatief pastoraat. Merton schreef in 1967 op verzoek van paus Paulus VI een ontwerp van een brief van de religieuzen – dus van monniken en monialen - aan de wereld- een brief over God. [1] Die brief is ook anno 2014 zin voor zin de moeite waard. Het begint er al mee dat Merton zich verontschuldigt dat hij zich ongevraagd tot onbekenden richt over God, en daarmee afstand neemt van een primair kerygmatisch pastoraat dat het pastorale contact begint met het ongevraagd brengen van de boodschap. Ik citeer hier echter alleen een fragment aan het slot van de brief:
Ik citeer:
 “Een contemplatief is een persoon die zijn geest riskeert in een woestijn voorbij de taal en voorbij ideeën – daar waar God wordt ontmoet in naaktheid van pure vertrouwen, dat wil zeggen in de overgave van onze armoede en onvolledigheid. Iemand wiens geest zich niet aan zichzelf vastklampt alsof denken ervoor zorgt dat wij bestaan. De boodschap van hoop die een contemplatief biedt is niet dat je je weg moet vinden door alle  taal en alle problemen die vandaag de dag God omgeven: maar dat  - of je het nu begrijpt of niet, God van je houdt, in jou present is, in jou leeft, jou bewoont, jou roept, jou redt, en jou een begrip en licht biedt die alles te boven gaat van wat je ooit in boeken hebt gelezen of in preken hebt gehoord. De contemplatief heeft niets te zeggen behalve je te bemoedigen  en te zeggen dat als je in je eigen stilte durft binnendringen en die stilte durft te deken met de eenzame ander die God door jou zoekt, je dan zeker het licht zult ontdekken en het vermogen om te begrijpen wat voorbij woorden en verklaringen is, omdat het te nabij is om verklaard te worden: het is de intieme eenheid in de diepten van je hart, van Gods Geest en je eigen geheime diepste zelf, zodat jij en Hij in alle waarheid Een Geest zijn’. (Thomas Merton, A life in Letters, p. 168). Einde citaat.

Reflectie op Merton
Dit is een zeer compacte tekst, met een enorme dichtheid aan betekenislagen.  Ik licht er hier enkele uit. Ze gaat niet alleen over de eigen rol van monniken en monialen, maar ze kan  ook heel veel te zeggen hebben over pastoraat in de marge van de open samenleving – waarin mensen elkaar kunnen ontmoeten ongeacht herkomst en verleden, actuele sociale positie,  en bestemming, en ook over uw pastoraat.
Contemplatief zijn betekent, in Merton’s benadering, allereerst ‘zien wat is’. Contemplatie is – zegt hij - ‘het diepe besef dat leven en zijn in ons voortkomen uit een onzichtbare, transcendente en oneindig milde Bron’.
Om de contemplatie binnen te gaan moeten wij, zegt Merton, in een bepaald opzicht eerst sterven, en wel  uit liefde tot het leven.
 Contemplatief  is zien wat is  – en dit uithouden. Dit klinkt echter veel te vroom, want het gaat om het uithouden van een woestijn, van armoede, van incompetentie, van niet kunnen dus, van afwezige zelfredzaamheid, en van onvolledig leven – bijvoorbeeld in sociaal isolement en in een religiositeit zonder toegang tot haar bronnen.

Contemplatief pastoraat
Contemplatief pastoraat  heeft – zo bezien -  niet, zeker niet allereerst  betrekking op  het voeren van theologisch interessante geloofsgesprekken, maar op het beleven van vertrouwen op God en het waarnemen van vertrouwen op God voorbij de taal, bij jezelf en bij de ander. En dit vertrouwen op God kan worden gevonden zowel bij taalvaardige mensen voorbij de grenzen van hun taal, alsook, en zeker niet minder,  bij de niet taalvaardige mensen. De contemplatieve pastor ontdekt het Godsvertrouwen zowel bij zichzelf als bij de mensen die zich aan haar zorg toevertrouwen. Zij neemt waar hoe zowel God als het antwoordende Godsvertrouwen reeds present zijn in het leven van mensen, en daar een bron van liefdevol leven vormen. Contemplatief pastoraat is dan dus : God zien in het leven van mensen, en zien hoe mensen intuïtief vertrouwvol antwoorden op deze reeds aanwezige liefde van God. De beslissende vaardigheid die hiervoor vereist is, is de gedecentreerde ontvankelijkheid,  de niet – narcistische openheid voor wat ons willen, kunnen, denken en doen overstijgt.  Het zou mij niet verwonderen als u in uw in de goede zin van het woord marginale pastoraat veel mensen ontmoet met juist deze ontvankelijkheid – zij zijn immers de illusie van autonomie, zelfbepaling, zelfverwerkelijking, zelfontplooiing en zelfredzaamheid reeds goeddeels kwijt geraakt, en weten dat er leven is voorbij aan deze illusies. Ook al is daarmee zeker niet alle narcisme onder uw pastoranten  doorbroken, de cultureel bepaalde almacht ervan is wel buiten werking.  En ook u als pastor zal vroeger of later getraind zijn in het besef dat het belangrijkste in het leven niet het ‘zelf’ is, niet het succes, maar dat het juist kwetsbaarheid en gekwetstheid zijn die door de pijn heen ontvankelijk maken voor wat niet maakbaar is en voor wat als geschenk, om niet, van God komt.  
Thomas Merton heeft, ook in aansluiting op Johannes van Kruis, een forse kritiek op cultuur van het narcisme geformuleerd. Het is juist deze cultuur die mensen afhoudt van de  attitude van kwetsbare ontvankelijkheid voor het vele dat  door God geschonken kan worden.
De trappister monnik Merton stond en staat volstrekt  niet geïsoleerd in zijn contemplatief pastoraat. Hij heeft een voorloper in het leven, het werk en de theologie van de oud – militair en pater  trappist Charles de Foucauld (1858-1916) , die met zijn radicale armoede na de betrekkelijke veiligheid van het trappistenklooster in Frankrijk te hebben verlaten  te midden van de Toeareg de presentie uitvond als missionaire strategie: met lege handen de armoede delen, maar ook het leven, de levensvreugde en delen in Gods liefde delen. Contemplatief zijn betekende voor de Foucauld niet meer het in een contemplatief klooster zijn, maar het daar zijn, waar God reeds present is, namelijk als liefde en bron van hoop te midden van de allerarmsten. De presentie van God transformeerde zo de traditionele  missionaire strategie: deze berustte niet op het als het ware van buiten af of van boven af ‘brengen’ van God aan heidenen, maar op het zien, ontdekken, van God waar Hij reeds is, voorafgaand aan onze aanwezigheid.[2] U kunt hierbij denken aan de zeven monniken van Tibhirine wier vreselijke lot zo prachtig verfilmd is in Des hommes et Des Dieux- voorafgaand aan hun martelaarschap gaven zij prachtig gestalte aan presentie te midden van een moslim gemeenschap.
Maar reeds de Trappist Charles De Foucauld  gaf dus gestalte aan presentiepastoraat, gekoppeld aan diaconaal-missionaire  zorg in de regio. En natuurlijk werd er in zijn gemeenschap ook verkondigd. Maar dit kerygma vertolkte, voor wie het wilde horen, wat reeds zichtbaar was. Het kerygma was niet het begin van alle pastoraal en diaconaal contact, maar als het ware de bezegeling ervan.
Charles de Foucauld vond veel navolging, onder meer bij de Italiaanse straatpastor, de Piemontees  Carlo Carretto (1910-1988)  die in zekere zin als een van de  grondleggers van het contemplatieve straatpastoraat kan worden beschouwd dat hij na zijn terugkeer uit de Sahara ontwikkelde in het Italiaanse Spello.  Caretto schreef onder meer:
 ‘God stelt zich er niet tevreden mee dat de ziel van Hem houdt, maar Hij wil ook dat de ziel met een pure liefde zijn werken bemint, de schepping, en dat zij de schepping bemint met een perfecte hiërarchie, in de mate waarin alles deelheeft aan het goddelijk zijn: de sterren omdat sterren waardevol zijn, bloemen omdat bloemen waardevol zijn, dieren omdat dieren waardevol zijn, en de mens omdat deze naar Zijn beeld en gelijkenis is geschapen’(Carretto, 26, vertaling FvI).[3]
De Fransman Abbe Pierre (1914- 2007), die  de grondlegger van de vierde wereld beweging en de Emmausbeweging die ervanuit gaat dat ieder mens iets te geven heeft  was, werd maar liefst 17 keer tot Fransman van het jaar gekozen – totdat hij verzocht van de groslijst te mogen worden geschrapt. Hij ging in zekere zin verder dan Merton en schreef niet alleen een brief over God, maar een brief aan God. Deze korte brief aan God lees ik hier geheel voor. Voordat ik dit doe is het goed om te weten dat deze brief zijn geestelijk testament is, - op zeer hoge leeftijd geschreven - waarin hij – niet voor het eerst- worstelde met het kwaad en het lijden;  twee realiteiten die hij in zijn praktijk als christen in de marge van de samenleving heel goed had leren kennen. Aan het einde van zijn leven keren deze thema’s van het kwaad en het lijden terug in contemplatieve vorm. Hij vraagt zich eigenlijk af: wat heb ik nu gezien bij de aan mijn zorg toevertrouwde doelgroep, mijn medewerkers en mijzelf?
(……).
Brief aan God
Vader,
Ik heb u lief, meer dan alles.
Voor alles, omdat u degene bent die kan zeggen Ik ben. En omdat ik dat ben tegengekomen toen ik zestien of zecventien was en daarmee geleefd heb tot mijn drieënnegentigste.
Ik heb  u lief, meer dan alles.
Omdat:

  • U de mens die, in de loop van de evolutie, altijd maar streefde naar zelfgenoegzaamheid, Jezus geeft, het Woord, om aan te tonen dat de mens niet zelfgenoegzaam is;
  • Waar men stikt in de jacht op cijfers, U het onzegbare schenkt, dat sterker is dan alle twijfel, in de hostie van de eucharistie;
  • U de verstikkende atmosfeer vervangt door de adem, spiritus, de Heilige Geest die voortkomt uit de eenheid van de Vader en het vleesgeworden Woord die elkaar liefhebben, en aan wie wij ons laven.
Ja =, U bent mijn liefde.
Ik heb slechts zo lang in zekerheid kunnen blijven door deze zekerheid in mij: sterven is, of men het gelooft of niet, Ontmoeting.
 
Ik heb U lief, meer dan alles.
Ja, maar……. Om een geloofwaardig gelovige te zijn moeten allen om mij heen weten dat ik niet, dat ik nooit het voortbestaan van het kwaad zal kunnen aanvaarden.
U, Ik zal er zijn, U bent de Heer van het voortbestaan of van het ophouden van het bestaan van al wat is.
 
Maar hoe kan men begrijpen dat, waar U de macht hebt om ergens een einde aan te maken, het kwaad blijft bestaan?
     Eindigt het gebed van Jezus niet met: ‘Verlos ons van het kwaad?’?
 
Dank U, Vader, dat U me hebt geholpen om te weigeren – want dat zou leugen en bedrog zijn- om te ‘geloven’ op een manier alsof ik onverschillig zou zijn voor het voortduren van het kwaad, en in deze wereld, en voorbij deze tijd.
 
Gelovend, liefhebbend kan ik slechts die ‘gelovige nochtans’zijn, dat wil zeggen de gelovige die niet begrijpt.
    Teveel van mijn menselijke broeders zijn er niet ver vanaf U te beminnen, als ze maar niet werden gehinderd door dat ‘nochtans’. Resect voor hen en respect voor heel de wereld. 
Vader, ik wacht er al zo lang op om te leven in Uw totale Presentie, die, en daar heb ik nooit aan getwijfeld, ondanks alles, Liefde is.  [4]
 4 oktober 2005
Feest van Sint Franciscus van Assisi,
Deo Gratias,
Abbe Pierre.
Ik herhaal even de laatste zin:
Vader, ik wacht er al zo lang op om te leven in Uw totale Presentie, die, en daar heb ik nooit aan getwijfeld, ondanks alles, Liefde is.
Ik denk dat er in de twintigste eeuw geen compactere formulering van de theologische betekenis van Gods presentie is verwoord – en dat door een mens, Charles de Foucauld,  die congruent was met zijn boodschap en daardoor geloofwaardig van Gods liefde kon spreken.
In deze spiritualiteit wordt heel sterk  Gods liefde benadrukt, en het Godsvertrouwen wordt geduid als vertrouwen op Gods liefde.
Grenzen aan ‘talig’ pastoraat
Wat betekenen dit voor uw pastoraat ?
Allereerst: contemplatief pastoraat in de geest van Charles de Foucault, Carlo Carretto en Abbe Pierre , zou men  kunnen zeggen,  daagt bovenal de eendimensionale  ‘taligheid’ van het pastoraat uit, de verabsolutering van het geloofsgesprek en de expliciet religieuze communicatie.  Het laat de illusie achter zich dat goed pastoraat met taal  kan beginnen of eindigen; taal kan interveniëren in wat reeds is, en herschept – soms zonder nut of noodzaak- wat in zich reeds goed en zelfs vervuld kan zijn. In de christelijke traditie wordt dit uitgedrukt in de traditie van ‘negatieve theologie’[5], een traditie die zich naar mijn overtuiging ook in pastoraat laat vertalen, onder meer in presentiepastoraat voorbij de taligheid.
 Pastoraat kan niet zo maar ‘talig’ zijn, omdat elk menselijk contact, en zeker ieder christelijk contact, en eens te meer ieder pastoraal contact, begint met eerbied voor het transcendente in de mens, de ziel, datgene waardoor de mens Gods beeld en gelijkenis is, dat tevens waarin  hij scharniert met de transcendentie[6]. En deze eerbied voor de ziel doordesemt als het goed is, ook het hele pastorale proces. Ze komt tot uitdrukking in een eerbied voor de waardigheid van de mens waarvan de christelijk sociale ethiek spreekt, die tot uitdrukking komt in een wijze van zijn en in de wijze van behandeling,  bejegening en verzorging van mensen.
Stille eerbied staat ook aan het einde van het contact, als het goed is. Ook, en misschien juist, een goed pastoraal contact eindigt zonder woorden. Het eindigt ermee dat mensen zichzelf en elkaar zien als voor Gods aangezicht – geloven is  intuïtief vertrouwvol zien met Gods ogen -, en dat mensen zichzelf en elkaar voor God brengen, in stilte, misschien in een gebaar als het ontsteken van een kaars, een kruisteken, een verwijlen bij een icoon.  Zo wordt uitgedrukt dat geloof niet samen valt met de articulatie ervan, laat staan met een gesprek hierover of de theologische reflectie hierop, en ook dat dit vertrouwen, net als de liefde en hoop van goddelijke oorsprong zijn: ze overstijgen onze taal. Ik benadruk dit,  omdat goed pastoraat zich in mijn overtuiging baseert op en richt op dit niveau van intuïtief Godsvertrouwen. Talig pastoraat is uiteraard  niet helemaal onjuist, want mensen zijn talige wezens.  Maar goed pastoraat moet in intuïtief vertrouwen op Gods liefde zijn ingebed om vrucht te kunnen dragen.
Op de tweede plaats: pastoraat in onze Nederlandse cultuur van dit moment bestaat goeddeels  in het wachten tot het persoonlijke en cultureel narcisme zijn grenzen bereikt en er bij de pastorant een keerpunt komt – bij onszelf of bij mensen die zich aan onze zorg toevertrouwen -, waarin stap voor stap blokkades voor de moed om kwetsbaar en ontvankelijk te zijn worden opengebroken. In uw vormen van categoriaal pastoraat is dit punt in het leven van mensen, neem ik aan, vaak gepasseerd: de situatie waarin mensen verkeren legt onontkoombaar de grenzen van een narcistisch zelfbeeld en daarbij horende blokkades van initiële openheid voor God bloot. Pastoraat is vaak het begeleiden van het helpen slechten van deze blokkades, maar nog vaker is de pastor toeschouwer en duider. Hij neemt het slechten van de blokkades vaak enkel waar: het is immers maar zeer ten dele een actief proces van de pastorant en nog minder een actief proces van de pastor. Het is overwegend  veeleer een ‘nacht’ waarin mensen opnieuw geboren worden, een nacht die aan hen gebeurt.  Het is niet voor niets dat de zestiende eeuwse Spaanse mysticus Johannes van het Kruis (1542-1591) meermalen stelde dat het de belangrijkste taak van een pastor is om God niet in de weg te staan: God doet Zijn eigen werk in de pastorant. [7] Wel kan het zijn dat pastoraat mensen helpt in de actieve fase van de geestelijke loutering,  namelijk wanneer mensen zelf kunnen werken aan het weghalen van wat hen blokkeert in echt contact met God, hun naaste en zichzelf.
Het is naar mijn overtuiging in deze fase,  dat goed pastoraat in de meest ruime zin van het woord sacramenteel is, in twee opzichten: door er te zijn stelt de pastor ten eerste een teken dat er meer is dan de louteringscrisis, en tegelijk kan ten tweede het pastoraal contact ook daadwerkelijk helpen blokkades weg te nemen en dus ook in die zin heil bemiddelen. Deze sacramentele dimensie van pastoraat komt niet pas tot uitdrukking in de bediening van de sacramenten in strikte zin , maar ze doordesemt geheel het pastoraat. Ik heb, na vijfendertig jaar observatie van pastores en geestelijk verzorgers, de indruk dat een groot deel van hun belangrijke werk zich richt op het  ondersteunen van het wegnemen van de blokkades of de begeleiding van de ervaring dat God deze blokkades aan het wegnemen is, bijvoorbeeld door duiding hiervan te bieden met behulp van symbolen, metaforen en verhalen uit Schrift en traditie.
 
De presentie van God
Dames en heren, er is nog een laag in het presentiepastoraat die ik vandaag ter sprake wil brengen. Dat is de presentie van God zelf, zonder welke, althans naar mijn overtuiging, presentiepastoraat geen dragende grond heeft.
Deze  presentie van God is – anders dan ik misschien tot nu toe onbedoeld suggereer – zeker niet een specifiek katholiek of specifiek christelijk thema. Ze heeft natuurlijk allereerst Joodse wortels in de Schekinah: de afwezige aanwezigheid in de lege ruimte boven de ark. Gods presentie is natuurlijk, theologisch gezien, ook absentie.[8] Want we spreken hier over de God wiens naam wij niet ijdel mogen gebruiken. Hij overstijgt de door ons gegeven  namen; en Hij is een God van wie we ons geen beeld mogen vormen. De presentie van God ‘zien we’ in de paradox van de verborgen aanwezigheid, ze is niet te bezitten of aan te wijzen. Maar ze is datgene in de andere mensen waarin deze mens aan ons geopenbaard wordt als beeld van God. De openbaring van de presentie voltrekt zich dan ook niet eerst in ons eigen bewustzijn, niet in ons beeld en onze interpretatie en waardering van de ander, maar ze voltrekt zich juist in de ontmoeting, in het gelaat van de ander.   
Ook in het door alle christenen gedeelde Nieuwe Testament zien we hoe Christus zelf verandert in ontmoetingen – nadat hij bijvoorbeeld tegen wil en dank een vrouw heeft genezen die zich aan hem opdrong, of in het contact met de Samaritaanse vrouw bij de bron die hem overtuigt van haar betekenis en waarde als gelovige; of in het contact met de heidense Romeinse honderdman met een geloof groter dan in Israël. Het zien van de concrete mens, de openheid voor zijn motieven, zijn verlangen, zijn vertrouwen: dit karakteriseert de ontmoetingen van Christus op straat. 
Natuurlijk zien we in de evangelies ook hoe Christus van zijn kant mensen verandert. Een tollenaar wordt een apostel en evangelist; een christenvervolger wordt na een ontmoeting met zijn slachtoffer zelfs tot apostel van de heidenen. Christus ontmoeten wil niet alleen zeggen dat het verlangen naar een nieuw heilzaam begin ontwaakt, er is meer dan dat: er  vindt een daadwerkelijk begin van vervulling plaats. Het contact met Christus verandert mensen. Hun verlossing  begint daar waar het zondebokmechanisme wordt  doorbroken, waar mensen hun vermeende uitsluiting door God,  hun naasten of door zichzelf kunnen bijleggen, waar de conflicten met God, de naasten en zichzelf  transformeren  tot vrede en verzoening. Psalm 118, vs. 22 zegt het zo: ‘de steen die de bouwlieden hebben verworpen, die is de hoeksteen geworden’. Zo geschiedde door Christus tijdens zijn aardse leven, zijn praxis en verkondiging- en  zo geschiedde ook aan en in Christus in zijn opstanding, getuige de verdediging  van Petrus in Handelingen 4: 11  waarin deze psalm 118, vers 22 citeert.
Nietzsche had gelijk: het Christendom staat voor een slavenmoraal, een moraal van losers. In hen begint namelijk het Rijk Gods, namelijk daar waar het zondebokmechanisme tegenover hen wordt doorbroken, waar het sociale isolement wordt doorbroken en waar wordt gezien hoe God deze mensen liefheeft en hun vervreemding van de bron van het leven overwint. In hen leeft Gods liefde, hetgeen te zien is voor wie erop durft vertrouwen. En natuurlijk is dat onuitstaanbaar voor de ‘haves’ in deze wereld, die op het oog succes hebben en pas tot bezinning komen na een ongeplande onderbreking van hun routines. 
 
Presentie van Christus
Het klassieke meesterwerk ‘De zeven werken van barmhartigheid’ van de Meester van Alkmaar uit het jaar 1504 verbeeldt de presentie van Christus als verhaald in Mt 25, 31-47. Christus is onder de hongerigen, dorstigen, zieken naakten, gevangenen, vreemdelingen. Hij is present als een van hen – dat wil zeggen van hun groep !- , dus als binnengetreden in de ruwe werkelijkheid van het menselijk lijden, en daarmee als vragend, smekend en gebiedend: eerbiedig mij, eerbiedig hen. De verlossing voor de toeschouwer begint met de verlossing uit narcisme en egocentrisme, met het zien wat is, en met zien van de betekenis van deze lijdenssituaties. Dit is prachtig uitgewerkt in de spiritualiteit van Vincent de Paul – Vincentius a Paolo- , de inspirator van de Vincentiusvereniging en de broeders van liefde met hun caritatieve diaconale instellingen. Vincentius a Paolo zond zijn eerste volgelingen conform het evangelie getweeën de straat op. Zo konden zij, zo zegt hij in zijn kloosterregel, elkaar de blik scherpen en natuurlijk aan de roeping herinneren. In dit licht is het uiteraard betreurenswaardig dat er in uw pastoraat in de marge niet altijd sprake is van teams, van duo’s. Want de betekenis hiervan overstijgt het aankunnen van een grotere caseload. Het heeft ook een spirituele betekenis en werking als men samenwerkt.
 
Meervoudige presentie van Christus
Dames en heren, de presentie van God krijgt in de katholieke traditie behalve in deze diaconale contexten als aangeduid in Mt. 25, 31-47, ook een zekere dichtheid in de eucharistie. Deze wordt gezien als bron en hoogtepunt van het kerkelijk leven. In de context van vandaag zou ik dit met de presentie van Christus in verband brengen, en wel –naar ik hoop – op een wijze die oecumenisch toegankelijk is.. Ik hoop zo bij te dragen aan de pastorale bezinning op het vieren van de eucharistie met uw specifieke doelgroepen.
In de katholieke visie op de eucharistie is Christus op vier wijzen present in de eucharistie. Allereerst in de gemeenschap van allen die in de naam van Vader Zoon en heilige Geest gedoopt zijn, die samen het mystieke lichaam van Christus vormen. Christus is present in de wederkerige afhankelijkheid  van mensen die hen tot een gemeenschap maakt; het lichaam van Christus blijft anders incompleet.  Het samenzijn maakt een kwaliteit van zijn duidelijk die er in beginsel al was: de eenheid in gemeenschap van gedoopten. Kerkelijke gemeenschap ontstaat dus niet door samen te komen, maar het samenkomen maakt de reeds aanwezige eenheid van het lichaam van Christus zichtbaar en versterkt deze.  Dit element geldt overigens ook voor woord -en gebedsdiensten. En ik merk hierop dat deze visie gastvrijheid voor catechumenen of mensen die binnen lopen niet uitsluit, maar juist insluit. Pastoraal gezien liggen hier zeker kansen, omdat er in het categoriaal pastoraat steeds vormen van gemeenschap op grond van lotsverbondenheid bestaan, bij militairen, gevangenen, vreemdelingen evenzeer als bij verslaafden en dak- en thuislozen. Die gemeenschap ontstaat ondanks het feit dat deze groepen ook delen in het culturele individualisme, en daar soms het slachtoffer van zijn, bijvoorbeeld van verzwakking van familiebanden of vervluchtiging van vriendschappen. De situatie zelf van verslaving of van dak- en thuisloosheid biedt een uitgangspunten voor verbondenheid en van onderlinge zorg en solidariteit die voor deze groepen heel waardevol en heilzaam zijn. Er ligt hier echter ook een pastorale uitdaging, omdat de lotsgemeenschap niet samenvalt met de geloofsgemeenschap. Hierin verschilt uw pastoraat niet van het pastoraat met gedetineerden, met vreemdelingen in detentiecentra of met militairen.  
Op de tweede plaats is Christus in een viering aanwezig in het Woord, dat wil zeggen: in de Schriftlezing, bijzonder de evangelielezing. Hier is Christus present als verkondiger en leraar.  Ook dit element van een eucharistieviering keert terug in een woord- en gebedsviering. Want vaak wordt hierin het evangelie gelezen en overwogen. En wederom geldt hier dat dit element van de viering open staat niet alleen voor christenen van alle denominaties, maar ook voor de passant en toevallige gast.
Op de derde plaats is Christus naar katholieke visie in een viering aanwezig in de priester, die in de katholieke ambtstheologie een alter Christus,  een tweede Christus is. Dat is niet alleen theologisch gezien geen geringe status en roeping, maar  dit betekent ook dat in de viering Christus present is op een derde wijze, namelijk in de herderlijke zorg. De priester bemiddelt Christus als goede herder. Ik breng dit hier naar voren, niet om confessionele verschillen te accentueren, maar om positief iets te laten zien van katholieke benadering van de presentie van Christus. Als het goed is, kunnen de aanwezigen via de priester toegang verkrijgen tot het heil dat uitgaat van de Goede Herder met hoofdletters.
Deze drie vormen van presentie van Christus zijn dus al gerealiseerd voorafgaand aan de consecratie in de eucharistie. Ze hebben dus ook wat ik zou willen noemen een oecumenisch potentieel en een missionair potentieel in het contact met niet - christenen.
 
Eucharistie  in het categoriaal pastoraat
De tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie waar ik nu kort op zal ingaan  zal ik hier niet zozeer dogmatisch, sacramententheologisch, bespreken,  maar pastoraal. Ik doe dit niet om confessionele verschillen op scherp te stellen – dat wil ik juist niet- , maar omdat de vraag naar eucharistie in het categoriaal pastoraat de vraag stelt wat de basis is van de gemeenschap van uw pastoranten is die bij elkaar komt.
Ik laat me hierbij weer inspireren door Abbe Pierre. Hij schrijft in zijn geestelijk testament in een korte beschouwing over de eucharistie het volgende:
‘Ik houd me niet zo bezig met ‘transsubstantiatie’, maar uitsluitend met’ presentie’(bij Abbe Pierre staat presentie cursief) . Ik geloof, zonder te weten hoe, dat Christus op mysterieuze wijze present is in de gewijde hostie. Het doet er niet zoveel toe op welke wijze’. (Abbe Pierre, p. 88). Einde citaat.
Pastoraal gezien gaat het in de eucharistische presentie van Christus om een geschonken presentie van Christus die aan de zijde van de gelovigen het meest tot haar recht komt in aandachtige eerbied en vooral in dankbaarheid. Het type presentie van Christus in de eucharistie is verstild, ingetogen, voorbij aan de taal. En ze is ook een verborgen presentie – als op de wijze van Schekinah. Deze presentie kan bovendien uiteraard niet los gezien worden van de unieke zelfgave van Christus in zijn aardse optreden en verkondiging en in zijn lijden en dood. Ze is onlosmakelijk verbonden met zichzelf schenkende liefde die in gedachtenis wordt gebracht.
De aanwezigheid van Christus in de eucharistie is sacramenteel. Daarmee bedoel ik dat ze  niet enkel een teken is, maar ook een werkzaam instrument van liefde en heil – juist voor mensen die deze liefdevolle gemeenschap met de Heer nodig hebben. Ze versterkt het liefdevolle contact met Christus zelf. Ze verdicht en versterkt  de andere vormen van presentie van Christus in de viering en in de gemeenschap.
Zo bezien mogen mensen uit de bijzondere doelgroepen die u ontmoet evenmin als gevangenen, vreemdelingen en militairen categorisch worden buitengesloten van de eucharistie. Voor katholieken onder hen moet dit sacrament in beginsel toegankelijk zijn. Hier ligt echter tevens een pastoraal vraagstuk, vooral als men aanneemt dat de eucharistie in de groep met de situationele lotsverbondenen gevierd wordt en niet in territoriale parochies.
Zonder te polariseren ligt het  wat mij betreft ook bij vieringen met lotsverbondenen  in beginsel voor de hand dat alleen zij die het geloof in deze sacramentele presentie delen, aan de eucharistische ritus deelnemen. Want waarom zou iemand willen deelnemen die er niet in gelooft?
Echter: in  de pastorale realiteit kan de viering van de eucharistie in een setting van categoriaal pastoraat helaas een scheiding in geloofsbeleving zichtbaar maken die op anders - gelovigen en zeker op niet - gelovigen in een toch al kwetsbare situatie uitwerkt als sociale uitsluiting, ook al is ze geenszins zo bedoeld.  Dat het geloof in werkelijke presentie van  Christus voorondersteld wordt is vanuit de katholieke Kerk bezien niet een kwestie van uitsluiting, maar juist van het serieus nemen van de vrije geloofsovertuiging van iedere aanwezige,  zowel die van de ander als van zichzelf. Het is een kwestie van oecumenische tragiek dat dit serieus nemen van de vrijheid van geloofsovertuiging niet zo ervaren wordt. Overigens ben ik ervan overtuigd dat het meeste dat ik naar voren breng naar mijn overtuiging ook van toepassing is op de pastorale vragen bij de protestants -  christelijke praktijk van het Avondmaal. Want ook daar is de vraag naar vereisten voor toelating aan de orde.
In dit verband is de benadering van de de boeddhistische monnik Thich Nhat Hanh – die overigens een vriend van Thomas Merton was - inspirerend, die enkele diepgaande beschouwingen schreef over de presentie en aandacht die bij deelname aan de eucharistie nodig zijn. 
Hij schrijft, als boeddhist:
‘Als we werkelijk aanwezig zijn, ons volledig bewust van het hier en nu, kunnen we zien dat het brood en de wijn echt het lichaam en bloed van Christus zijn, en de woorden van de priester werkelijk de woorden van de Heer zijn. Het lichaam van Christus is het lichaam van God, het lichaam van de uiteindelijke werkelijkheid, de grond van al dat is. We hoeven nergens anders naar te zoeken. Het is diep in ons binnenste te vinden. De rituele viering van de eucharistie helpt ons om volledig in het hier en u te zijn, zodat we het lichaam van de werkelijkheid in onszelf kunnen ervaren. Brood en wijn zijn geen symbolen, ze bevatten de werkelijkheid, net zoals wij, ’ [9]
Natuurlijk is een boeddhistische visie op de presentie van Christus in de eucharistie niet dogmatisch correct geformuleerd, uit katholiek oogpunt. De gekozen formuleringen lijken soms enkel te gaan over Christus in ons bewustzijn, en niet als tegenover; de teksten doen soms een beetje gnostisch aan, door de suggestie dat alles in het bewustzijn is, en tegelijk met de suggestie dat het zelf, de persoon, een illusie is. Maar ondanks deze vraagpunten bij deze bijzondere boeddhistische kijk op katholieke spiritualiteit is het van groot belang dat deze beschouwing niettemin eindigt met een motief uit de katholieke traditie, namelijk het in elkaar grijpen van twee typen presentie in de eucharistie en de eucharistische aanbidding:  de presentie van God en die van onszelf.
 In het katholieke gevangenispastoraat, waar dit pastorale vraagstuk van de onbedoelde sociaal  uitsluitende werking van het sacrament van de eucharistie ook bestaat,  leidt het inzicht in de sociale uitsluiting soms tot een praktijk van stille individuele privé uitreiking van de communie na een collectieve en openbare woord- en gebedsviering. De pastorale praktijk van individuele communie uitreiking zonder onmiddellijk voorafgaande eucharistieviering lijkt dan enigszins op de ziekencommunie thuis, zoals die in katholieke parochies plaats vindt. Ze biedt een tussenweg tussen eucharistische verwaarlozing enerzijds en de ongewenste sociale uitsluiting van niet katholieke deelnemers aan het geheel van de plechtigheden anderzijds.
Hoe dit ook zij, belangrijk is in elk geval ook dat de eucharistie bedoeld is voor gelovigen die met vallen en opstaan pelgrimeren in de geschiedenis, niet alleen voor hen reeds zijn aangekomen op hun bestemming. Mensen proberen in Christus te geloven en Hem na te volgen, en beide lukt soms goed, en soms minder goed. De eucharistie is niet alleen bedoeld voor mensen die in hun dagelijks leven en in hun dagelijks geloofsleven en in de navolging van Christus  hun zaakjes keurig voor elkaar hebben. En men hoeft zeer zeker  niet een sedentair burgerlijk bestaan te leiden om deel te mogen nemen aan de eucharistie.
 Wel beslissend is, althans  naar mijn oordeel, de ontvankelijkheid van de mensen om wie het gaat voor het heil dat door Christus wordt aangeboden in de eucharistie, en om het vermogen om dit op passende wijze in geloof te ontvangen. Daarom zegt de katholieke kerk in oecumenische regelgeving dat van mensen de juiste gesteltenis wordt gevraagd (Oecumenisch Directorium 1993). [10]
Hoe men dit pastoraal vraagstuk ook oplost, een waterscheiding tussen gemeenschapsbeleving van situationeel lotsverbondenen enerzijds en gelovigen onder hen anderzijds moet men in het categoriaal pastoraat om pastorale redenen toch zo veel mogelijk vermijden, omdat zo’n scheiding het geloof zelf ook scheidt van de levenssituatie van mensen waarin het juist heilzaam kan zijn. Door een strakke scheiding tussen deze twee typen gemeenschap – de gemeenschap op grond van situationele lotsverbondenheid en de op geloof gebaseerde gemeenschap - kan men ook de informele onderlinge solidariteit en zorg minder goed ‘dopen’ in figuurlijke zin, dat wil zeggen christelijk duiden en versterken. Men loopt dan een dubbel risico. Allereerst het risico van een eucharistische spiritualiteit zonder gemeenschapsbeleving en zonder diaconale en charitatieve dimensie. Dat zou net zoiets vreemds zijn als een Laatste Avondmaal zonder voetwassing. Omgekeerd kan ten tweede het risico ontstaan dat een contaminatie van deze twee typen gemeenschappen ook leidt tot deelname aan de eucharistie zonder elementair begrip van haar betekenis, met het risico van gebrek aan eerbied dat daarbij hoort. Ze kan dan vervlakken tot een beleving van ‘breken en delen’ die slechts toevallig met Christus verbonden wordt.
In feite zou theologisch zelfs gesteld kunnen worden dat Christus in de eucharistie niet op vier maar op vijf wijzen aanwezig is, namelijk ook nog als degene wiens voeten gewassen wordt. In deze metafoor is uitgedrukt dat eucharistie zonder diaconie niet kan bestaan- en ook omgekeerd, dat men diaconie niet zo maar uit deze eucharistische context kan losmaken zonder haar daardoor ten onrechte aan de marge van de kerk te plaatsen.
 
Slot
Dames en heren, van een reflectie op presentiepastoraat zijn we  via een reflectie op de presentie van God en meer in het bijzonder van Christus op de betekenis van gemeenschapsvorming in het categoriaal pastoraat terecht gekomen. De pastorale uitdaging van de verhouding tussen gemeenschapsvorming op basis van situationele lotsverbondenheid en gemeenschapsvorming op basis van geloof wordt saillant duidelijk in een reflectie op de noodzaak en mogelijkheid om in uw praktijk in het categoriaal pastoraat eucharistie te vieren. Toch is dit voor uw pastoraat slechts een van de plekken waar de vraag naar het type gemeenschap waarin u zich beweegt zich voordoet. Is dit koinonia, christelijk doordesemde gemeenschap? Zo blijkt het door u vervulde pastoraat vertakkingen te hebben naar alle kerngebieden van het christelijk geloof: gemeenschapsvorming, diaconie en caritas, liturgie, en  zelfs, in historische zin, missie. Juist als men presentiepastoraat als contemplatief pastoraat ziet komt men deze vraag naar de spirituele  aard en diepte van de gemeenschap tegen. Want contemplatief presentiepastoraat heeft als aanname dat God, dat Christus reeds present is, met name onder de meest gemarginaliseerden. Het presentiepastoraat aanschouwt het gelaat van Christus in de lijdende mens en in de mens die door zijn lijden heen opstaat. Het beoefent presentiepastoraat als verheldering en duiding van Gods aanwezigheid, en niet als interventie en oplossing van psychische, sociale of maatschappelijke problemen. De eigenlijke positieve reden daarvoor is dat het heil – datgene wat voor mensen uiteindelijk van belang is, de liefde van God, om niet wordt geschonken en dat God reeds werkt in ieder mens, met name bij degenen die hun muren van weerstand afgebroken zien. Precies daar althans wat mij betreft ligt de positieve theologische fundering van uw vormen van categoriaal pastoraat. Contemplatief pastoraat is present. Dat wil niet zeggen dat u niets ‘doet’. Het wil wel zeggen dat wat u doet negatief geformuleerd, is: God niet in de weg staan, en positief: God aan het werk zien, en daarboven uit  zowel de aanschouwing zelf doorgeven  (contemplationem tradere) – mensen leren zien in de evangelische betekenis van dit woord-, en het verhelderen en mogelijk doorgeven van datgene wat gezien wordt (contemplata et aliis tradere).  Met deze beschouwing heb ik de contouren aangegeven van de mogelijkheid die ik zie om in een pastorale setting het begrip presentie niet alleen methodisch te hanteren, maar het ook theologisch- inhoudelijk te vullen, en de theologische rationaliteit ervan te verhelderen, namelijk vanuit de innerlijke samenhang van een Godsvertrouwen ‘nochtans’, op hoop en op liefde in het presentiepastoraat,  
Ik dank u zeer voor uw aandacht
 
Prof. dr. A.H.M. van Iersel (Geldrop 1954) is bijzonder hoogleraar vraagstukken geestelijke verzorging bij de krijgsmacht aan Tilburg University, en docent moraaltheologie en spirituele theologie bij Fontys Hogeschool voor Theologie en Levensbeschouwing  te Utrecht
 
 
 
 
[1] Thomas Merton, A life in letters ,New York 2008,  pp. 163-168.
[2] Thomas Merton, The inner experience…..
[3] Carlo Carretto Un contemplativo sulle strade del mondo Milano 1996.
[4] Abbe Pierre. Mijn God… Waarom? Korte meditaties. Kampen/Leuven 2007, pp. 115-117.
[5] J. Hochstaffl, Negative Theologie. Ein Versuch zur Vermittlung des patristischen Begriffs. Muenchen 1976; J. Werbick, Von Gott sprechen an der Grenze zum Verstummen. Muenster 2004.
[6] Tjeu van Knippenberg, Existentiële zielzorg.
[7] Joannes van het Kruis, Levende Vlam van liefde, III. 31, in: idem, Mystieke werken, Gent 1992, p. 1032.
[8] Joannes van het Kruis, Levende Vlam van Liefde 2, 17, p. 1004.
[9] Thich Nhat Hanh, Boeddha leeft, Christus leeft Amsterdam 1995, p. 46-47).
[10] Pauselijke Raad ter bevordering vd Eenheid vd Christenen, Richtlijnen voor de toepassing van de beginselen en normen inzake de oecumenische beweging, Oecumenisch Directorium (25 mrt 1993), 122-131. nrs. 122-136.

terug
 
 
In Beeld
Activiteiten bij de inloop
meer
 
Wat doet Netwerk DAK?
meer
 
Ons werk wordt mede mogelijk gemaakt door