Geloof en gezeik: schemerzones in het straatpastoraat

Culturele en religieuze diversiteit is een gegeven in de daklozenwereld. Het maakt het werk als straatpastor geweldig. En geweldig ingewikkeld soms. Straatpastor Elly Mulder schreef een persoonlijk praktijkverhaal over het straatpastoraat en het religieuze ‘niemandsland’ waarin mensen die we dak- of thuisloos noemen zich soms bevinden.

Ongeveer een jaar geleden werden mijn organisatie en mijn persoon doelwit van ophitsing en bedreigingen uit salafistisch-islamistische hoek. Aanleiding was het overlijden van een persoon in de daklozenwereld in Haarlem. In een dergelijk geval doet de gemeente vaak een verzoek om de uitvaart te verzorgen aan Stem in de Stad, waar ik als straatpastor werkzaam ben. Stem in de Stad is een modern-oecumenisch diaconaal centrum, gevestigd in het hart van de stad. Modern-oecumenisch, als in: open en inclusief naar alle religies en levensbeschouwingen. Diaconaal, vanuit de geschiedenis en geloofsopdracht van de christelijke kerken. Het verzoek om in dit specifieke geval de uitvaart te verzorgen, namen wij graag aan omdat wij de persoon in kwestie al jaren kenden en hij ons lief was.

Houvast laten hervinden

Voorafgaand aan de uitvaart ontving ik een dreigmail van een mij onbekend persoon die van mening was dat deze uitvaart door hem gedaan moest worden. De gemeente Haarlem, aan wie ik de mail doorstuurde vond van niet. Tijdens de uitvaart die een niet-religieus en cultuur-sensitief – en dus géén christelijk – karakter had, kwam deze man met een camera verhaal halen naast het open graf van de overledene die hij verder niet kende. Na het plaatsen van een tendentieus filmpje op social media, liep de kwestie hoog op.

Maar, hoewel intimidaties en bedreigingen aan mijn persoon als gevolg hiervan tot voor kort nog doorgingen, gaat dit artikel niet over een boze man met een missie. Want veel belangrijker is de praktijk van het straatpastoraat en het religieuze niemandsland waarin mensen die we ‘dak- of thuisloos’ noemen zich soms bevinden. Vanuit mijn ervaring vertel ik hoe je als straatpastor probeert om mensen houvast te geven. Of beter: hun houvast te laten hervinden, door aan te sluiten bij hun levensbeschouwelijke achtergrond en bij datgene dat zij als ‘waar’ ervaren. Vanuit mijn religiewetenschappelijke expertise belicht ik daarnaast beknopt het unieke vermogen van ‘geloof’ als drijfveer achter denken en gedrag.

Dit is een foto van L, gemaakt in augustus 2020. In zijn hand het tasje met de warme maaltijd dat hij net heeft opgehaald bij Stem in de Stad, een modern-oecumenisch diaconaal centrum in Haarlem.

Religieuze diversiteit op straat

Diversiteit is een gegeven in de daklozenwereld. De mensen die ik ontmoet, vormen een veelkleurige waaier aan achtergronden, overtuigingen, humeuren en gedragingen. Zo verschillend als de aanleidingen zijn waardoor mensen ‘op straat’ terecht komen, zo verschillend zijn ook de manieren waarop zij er zelf tegenaan kijken. Het maakt mijn werk als straatpastor geweldig! En geweldig ingewikkeld soms. Want waar sprake is van grote culturele en religieuze diversiteit – en dan hebben we het over godsbeelden, rituelen, symbolen, geloofspraktijken, ideeën over goed en kwaad, om maar iets te noemen -, daar ligt ook een mijnenveld aan gevoeligheden.

In de praktijk van het straatpastoraat gaan de gesprekken soms over God, maar vaker niet. Meestal gaat het over levensvragen. Grote thema’s waar we als mens allemaal mee te maken krijgen: verdriet en verlies, spijt en vergeving, hoop en dromen. In de gesprekjes op straat komen deze onderwerpen vaak aan de orde, verstopt in vluchtige opmerkingen, flauwe grapjes of een agressieve houding. Als de gelegenheid zich aandient om rustiger met elkaar te praten, weg van de drukte en de ‘hangplekken’, ontstaat er in zo’n gesprek soms een bepaalde gelaagdheid waarin gebeurtenissen uit het verleden een nadrukkelijke rol spelen.

Verdriet uit het verleden

Het is hartverscheurend om te horen hoe ‘geloof’ mensen soms heeft beschadigd toen zij jong waren. Veel verdriet en negatieve gevoelens zijn terug te voeren op de kindertijd en jeugd. Verhalen over opgroeien met een strenge vader die met de bijbel in de hand fysiek en mentaal klappen uitdeelt. Hoe een gezinsvervangend tehuis totaal faalt als veilige plek door hardvochtige of misbruikende religieuze ambtsdragers. Maar ook: peilloos verdriet om de afwijzing van familie en vrienden als seksuele identiteit wordt begrensd door religieus groepsdenken – en je dus niet mag zijn wie je bent. Of hoe de vlucht vanuit een land van herkomst als gevolg van religieus-gefundeerd geweld leidt tot blijvend trauma, waardoor met ieder nieuwsbericht ook weer de angst terugkeert.

Religie als collectieve dimensie 

Deze persoonlijke ervaringen zijn voorbeelden waar je als straatpastor mee te maken krijgt. Maar er is meer, al is dat ‘meer’ lastiger te benoemen. Ik vang het hier onder de noemer perspectief op het collectief. Het zijn de ideeën waarmee mensen zijn opgegroeid vanuit hun religieus-culturele achtergrond en die hen soms behoorlijk kunnen belemmeren in hun functioneren. Ideeën over solidariteit, loyaliteit en autoriteit. Ideeën over superioriteit ook, waardoor het tonen van zwakte en het vragen om hulp heel moeilijk kan zijn. Denkbeelden die in het ene collectieve verband van gezin, familie of geloofsgemeenschap geaccepteerd kunnen zijn maar in het andere, de Nederlandse samenleving of ‘de straat’, niet.

In het gesprek van mens tot mens hoor ik het allemaal. Soms uitgesproken, vaker tussen de regels. Maar dan? Hoe speel je daar als straatpastor op in, zodat mensen getroost en sterker hun levensweg kunnen vervolgen? Hoe kun je helpen, ondersteunen?

Straatpastoraat gaat over het bieden van een luisterend oor aan mensen die dak- of thuisloos zijn of zijn geweest. Dat begint met openstaan voor het individu en diens situatie, ongeacht diens levensbeschouwelijke overtuiging of de afwezigheid daarvan.

Zelf ben ik een straatpastor van christelijke huize, zoals ook mijn organisatie Stem in de Stad is ontstaan vanuit de christelijke kerken. Dit gegeven is vooral relevant voor mij persoonlijk, voor de manier waarop ik in het leven sta en hoe ik verwerk wat ik hoor en meemaak. Maar eigenlijk zegt het niet zoveel. Er zijn veel verschillende geloofsstromingen die vallen onder de noemer christendom. Al deze kerken, kerkjes en geloofsgemeenschappen baseren zich op dezelfde boeken en verhalen, maar kunnen toch tot heel andere uitkomsten en leefregels komen. Het is vooral een kwestie van interpretatie en de wijze waarop tradities zich door de tijd heen ontwikkelen. Dat geldt voor christendom, maar evengoed voor bijvoorbeeld islam en hindoeïstische geloofsstromingen, om er maar een paar te noemen.

Voor mijn benadering op straat is mijn eigen religieuze identiteit van ondergeschikt belang. Belangrijker in mijn werk is om te kunnen schakelen tussen religieuze concepten en taalvelden. Om te begrijpen waar iemand vandaan komt en welk geloofssysteem hem of haar ondersteunt of hindert. Door goed te luisteren kan ik afleiden waar mensen zich aan vasthouden. Wat voor hen helpt, wat hen troost biedt. Hoe zij ‘god’ begrijpen en welke naam zij daaraan geven. Kortom, wat zíj́ geloven. Want dat staat voorop.

Over de uniciteit van religie

Onder religiewetenschappers hanteren we vaak de definitie van religie van de Amerikaanse antropoloog Clifford Geertz: ‘A system of symbols which acts to establish powerful, pervasive, and long-lasting moods and motivations in men by formulating conceptions of a general order of existence and clothing these conceptions with such an aura of factuality that the moods and motivations seem uniquely realistic.’ (Geertz, Religion as a Cultural System, 1973). Deze religiedefinitie van Geertz is in zekere zin een composiet van eerdere benaderingen van Émile Durkheim en Max Weber, sociologen avant la lettre. Het verenigt Durkheims functionalistische perspectief, waarin religie als moreel systeem vooral een manier is om de samenleving bijeen te houden, met Webers benadering, die religie verknoopt met politiek en economie.

We zien dat religie zowel een verklaringsmodel van de wereld als een handelingsmodel ín de wereld omvat. Het verklaringsmodel is het grote verhaal – het centrale narratief – van een religieuze groep. Het legt uit hoe de wereld in elkaar zit, gezien vanuit heden, verleden en toekomst. Het handelingsmodel gaat over hoe de gelovige – individueel en als onderdeel van de groep – zich dient te gedragen. Door middel van deze twee ‘sporen’ geeft religie antwoord op de levensvragen, de grote thema’s, van mensen.

Samengevat, het verklaringsmodel is het verhaal over waarom het leven is zoals het is. Het handelingsmodel vertelt de gelovige over diens plaats en diens rol in dat verhaal. Nog weer anders gezegd: religie legt je uit hoe de wereld in elkaar zit én het vertelt je hoe je je daarin moet gedragen. En deze combinatie maakt geloof een van de krachtigste drijfveren voor denken en gedrag.

Spirituele schemerzones

Wat we ‘religie’ noemen, gaat dus vooral om een krachtige combinatie van ideeën over hoe het leven in elkaar zit. Daarin hoeft ‘god’ geen rol te spelen. En het gaat veel verder dan traditionele etiketten als moslim, hindoe, christen, boeddhist, humanist, of modernere labels als antroposoof, neo-paganist, flat earther, Jomanda-aanhanger of transhumanist.

Religie is dan ook overal. Het zit verstopt in psychologische, sociale en culturele patronen. Psychologisch, in de gedachten en gevoelens van individuen. Sociaal, in de relaties tussen mensen, in sociale conventies en taboes. Cultureel, in de gemeenschappelijke grondlaag waarin we staan als samenleving.

Maar wat nu als de panelen gaan schuiven? Als de wereld anders in elkaar zit dan gedacht, als de vijand niet de vijand is en er hulp komt uit onverwachte hoek?
Dan ontstaan er schemerzones. Spirituele schemerzones waarin eerdere ideeën over goed en kwaad, over vriend en vijand, over ‘god en gebod’, op de schop gaan. Dat kan moeilijk zijn. Het kan pijn doen en verwarring brengen – en ja, ook leiden tot verward, destructief gedrag ‘op straat’.

Hier ligt dan een kans voor de straatpastor. Want het helpt als er dan iemand is die luistert – en die blijft luisteren, bijvoorbeeld om te helpen gedachten te ordenen. Om te ontdekken dat er universele uitgangspunten zijn die religies overstijgen. Dat ‘oude’ denkbeelden best kunnen passen bij een nieuw leven, als je er vanuit een andere invalshoek naar kijkt. En dat sommige ideeën gewoon niet kloppen. Omdat het Goddelijke – hoe je dat ook noemen wilt – altijd groter is dan gedacht en ‘geloof’ niet een kwestie is van ‘one size fits all’.

Het aardige is natuurlijk dat er in de schemerzones ook zoveel moois te vinden is. Wat de praktijk van het straatpastoraat mij vooral leert, is dat de werkelijkheid van wat mensen geloven veel complexer en rijker is dan wij kunnen bedenken. En persoonlijk vind ik dat heel mooi. Een brede kennis van verschillende religieuze tradities is daarbij heel handig. Weten wat de godsbeelden zijn, hoe mensen aanhaken bij de grote narratieven in hun traditie. Maar het is niet zaligmakend. Want uiteindelijk geloven mensen wat zij als ‘waar’ ervaren. En daarmee gaat straatpastoraat vooral om universele begrippen van (mede)menselijkheid en liefde, troost en acceptatie.

Nog even over het gezeik

De kwestie rond de uitvaart vorig jaar heeft veel ellende opgeleverd – plat gezegd: gezeik. Kwetsbare mensen raakten in de war, door iemand die de mensheid indeelt in zwart en wit, moslim en niet-moslim. Maar zo zit de wereld niet in elkaar en zo mogen mensen niet tegen elkaar uitgespeeld worden.

Omdat de kwestie hoog opliep, besloot de burgemeester van Haarlem tot een islamitische herbegrafenis. Deze beslissing was gebaseerd op het gegeven dat ruim twintig jaar eerder de overledene zich bij aankomst in Nederland bij één van de instanties had laten registeren als ‘moslim’. Lastig qua precedentwerking is hierbij de onderliggende aanname dat ‘eenmaal moslim, altijd moslim’ betekent. In Nederland kennen wij immers geloofsvrijheid, dat ook het recht op afvalligheid of bekering tot een andere geloofsovertuiging omvat.

Tijdens de islamitische herbegrafenis dook opnieuw de man met de camera op en weer maakte hij een hoop heisa, ditmaal gericht tegen de Islamitische Raad Haarlem en de imam die voorging. Voor sommigen is het gewoon nooit goed.

Elly Mulder werkt als straatpastor bij Stem in de Stad in Haarlem. Daarnaast is zij als promovenda verbonden aan het Leiden University Centre for the Study of Religion (LUCSoR).

Bron: dit artikel verscheen eerder in Sociaal Bestek, een vakblad voor bestuurders en beleidsmakers op het gebied van participatie, sociale zekerheid en maatschappelijke ondersteuning. 

gepubliceerd: 20 september 2021