Netwerk DAK - Door Aandacht Kracht
 
Diaconie en caritas

Herman Noordegraaf is bijzonder hoogleraar en docent voor diaconaat aan de Protestantse Theologische Universiteit.

Hij hield deze inleiding  tijdens de vierde landelijke netwerkdag van Netwerk DAK op 16 november 2011.

Diaconie en caritas in deze tijd

1)  Vanaf het begin

Het diaconaat heeft vanaf het begin een wezenlijk onderdeel uitgemaakt van de christelijke kerk.  De dienst aan mensen in nood, binnen en buiten de christelijke geloofsgemeenschappen, was een opvallend kenmerk. De vroege christengemeente viel in het immense imperium van het Romeinse rijk op door een andere omgang met:
- Status: de eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten de eersten; juist de onaanzienlijken tellen mee.
- Geld en goederen: delen in plaats van zelfverrijking. In het laatste geval bezit men geld niet, maar wordt men er door bezeten – de afgod die de naam draagt van mammon.
- Macht: niet heersen maar dienen.

Het Avondmaal/de Eucharistie drukte deze andere gemeenschap uit: daar stond het delen in Christus’ naam centraal. Daar zijn juist de armen welkom. Het Avondmaal/de Eucharistie was verbonden met de liefdesmaaltijd, de maaltijd voor de armen. Daar wordt gedeeld. Paulus veroordeelt de rijken die de armen wegdrukken bij het Avondmaal/de Eucharistie: zij drinken zich een oordeel. Zoals het in het Avondmaal/de Eucharistie toegaat, zo zou het in de samenleving ook moeten gaan.

2) Nieuwe visie

De nieuwe gemeenschap van christenen ontwikkelde zich als een netwerk in het Romeinse rijk en bracht een nieuwe visie op armoede: de verantwoordelijkheid voor een ieder die in nood is en niet alleen de familieleden en degenen die tot de vriendenkring behoren. Mede hierdoor werd het christendom, ooit begonnen als een zeer kleine groep in een uithoek van het Romeinse rijk, een factor van betekenis. Zij oefende mede hierdoor een grote aantrekkingskracht uit (dat was niet het motief om het goede te doen, maar wel een vrucht daarvan). De werken van barmhartigheid kregen in de loop der eeuwen vorm in een breed scala van werkzaamheden en in weeshuizen, hofjes en hospitalen. Oorspronkelijk waren dit meer dan ziekenhuizen, want zij waren ook een opvanghuis voor zieken, mensen met een handicap, zwervers, ontheemden en anderen in nood.

3) Organisatorische plaats

Het diaconaat kreeg een organisatorische plaats binnen de geloofsgemeenschap, maar in de loop van de kerkgeschiedenis zien we dat de dragers van het diaconaat variëren: de caritas, de diaconie (als orgaan binnen de protestantse kerken voor het diaconaat), ordes en congregaties, werkgroepen kerk en samenleving, diakens en soms ontbreekt iedere aanduiding, omdat van iedere gelovige verwacht wordt dat hij/zij diaconaal actief is. Daarbij moet wel aangetekend worden dat er steeds weer de tendens aanwezig is om het diaconaat in de marge te duwen, om het als van minder waarde te zien dan andere kerkelijke activiteiten, zoals de Woordverkondiging, de bediening van de sacramenten en de catechese. In Duitsland heet dat ‘Diakonievergessenheit’. We moeten ons afvragen hoe dat komt. De oorzaken zijn onder andere te vinden in bepaalde theologische visies (bijvoorbeeld in het geloof gaat het om het zielenheil in het hiernamaals, niet om – ook – het materiële en het hiernumaals), en in sociologische en psychologische factoren (kerken als middenklasse-kerken, die de leefwereld van de armen niet kennen; weerstanden tegen mensen die afwijken van ‘het normale’, zoals armen, mensen met een beperking of met een psychische aandoening). Het is goed om ons van deze factoren bewust te zijn om er des te beter mee om te kunnen gaan. 

4) Fundamentele gezichtspunten

Bij alle verscheidenheid in geloofstradities is er wat betreft het diaconaat een grote overeenstemming over welke fundamentele gezichtspunten van belang zijn voor de oriëntatie van het diaconale handelen. Deze zijn gebaseerd op bijbel en kerkelijke tradities. In de Rooms-Katholieke sociale leer zijn deze verregaand uitgewerkt:
a. De mens is beelddrager van God (zie Genesis 1: 26,27). Opvallend in het Genesisverhaal is dat dit voor elk mens geldt en niet – zoals bij andere volkeren – de koning en de priesters. In dat laatste geval wordt hun heerschappij als het ware religieus gelegitimeerd, omdat zij boven andere mensen worden geplaatst. Het feit dat een mens beelddrager is van God betekent dat hij/zij een waardigheid heeft die voorafgaat aan beoordeling van mensen op grond van economisch nut, leeftijd, sekse, etnische herkomst of welk ander criterium men ook kan bedenken om mensen in hoger en lager in te delen.
b. De voorrangsoptie voor de armen: de verbetering van het leven van armen heeft prioriteit boven de belangen van niet-armen. In de sociale wetgeving van het Oude Testament, zoals te vinden in Exodus. Leviticus, Numeri en Deuteronomium vinden we een wijd en fijn vertakt netwerk van regels die zich erop richten om armen en andere noodlijdenden, zoals de kwetsbare categorieën van weduwen, wezen en vreemdelingen, een volwaardige positie in de toenmalige agrarische samenleving te geven. Zo mag er geen rente genomen worden als iemand in nood iets komt lenen (je mag niet profiteren van de noodsituatie van een ander), een deel van de oogst moet voor de armen blijven liggen en zo is er nog veel meer te noemen.
c. Universele bestemming van de aardse goederen. De aarde is van God (Psalm 24:1) en God wil dat de vruchten van deze aarde aan een ieder ten goede komen en niet aan een kleine groep. Elk mens moet toegang hebben tot de ‘hulpbronnen’ van het bestaan. In het oude Israël, een agrarische samenleving, was dat een stuk grond. Vandaar dat de grond in elk vijftigste jaar, het jubelkaar, radicaal herverdeeld moet worden, zodat iedere familie daarover kan beschikken en niet alleen de grootgrondbezitters. In onze tijd zijn ook andere hulpbronnen belangrijk: geld, kennis, gezondheidszorg, schoon zoet water, schone lucht enzovoort.
Deze gezichtspunten leveren geen blauwdruk voor het handelen maar zijn wel degelijk richting gevend in onderscheiden en specifieke situaties: telt elk mens mee?, wordt hij/zij met respect behandeld?, heeft de verbetering van het leven van armen voorrang en hebben mensen toegang tot die goederen en voorzieningen die een volwaardig leven mogelijk maken?

5) Keuzes en methodes in het huidige werk

Het bovenstaande laat zien dat het werk van de organisaties die in Netwerk DAK samenwerken in een traditie staat die zo oud is als het christendom zelf, dat als een volwaardige vorm van kerkelijk werk gezien moet worden, maar dat ook, zoals steeds in de geschiedenis, toch niet als behorend tot het hart van het kerk-zijn wordt beschouwd.
Voorts kan gesteld worden dat de keuzes en methoden in het werk aansluiten bij de genoemde fundamentele gezichtspunten. Zij bevatten de keuze om zich te verbinden met mensen in de marge omdat zij ertoe doen. Vandaar de beschikbaarheid voor deze mensen, het hebben van tijd voor hen, het luisteren naar hun levensverhalen met hun verdriet en vreugde, de volharding en de trouw aan mensen, ook als er geen perspectief op verbetering is of lijkt te zijn. De wijze van werken, vanuit een beschikbaarheid, een er-zijn-voor (presentie) drukt dat uit. Ook het opkomen voor hun belangen via bewustwording en signalering hoort daarbij.
Schematisch neergezet laten zich de volgende activiteiten onderscheiden:
1. Het beschikbaar zijn voor mensen, het opbouwen van relaties, het optrekken met mensen en het leren kennen van hun leefwereld. Dit is niet een eenmalig gebeuren, een eerste fase in een reeks van activiteiten, maar een continu gebeuren dat heel het werk kleurt en doortrekt.
2. Materiële en immateriële ondersteuning: financieel en met goederen, goedkope vakanties, hulp bij het invullen van formulieren, meegaan naar een loket enzovoort. Het kan om  ondersteuning aan individuen gaan en om groepen en organisaties, bijvoorbeeld van wijkbewoners of belangenorganisaties (met o.a. accommodatie, computer, kennis, menskracht, relaties, PR)
3. ‘Empowerment’: niet allereerst kijken naar wat mensen niet kunnen, maar naar welke mogelijkheden zij wel hebben en om hen te ondersteunen deze te realiseren. Deze vorm van empowerment is breder en dieper dan de empowerment zoals die in het dominante beleidsdenken en -uitvoering aanwezig is. Daar wordt empowerment verengd tot ‘toeleiden naar betaalde arbeid’ en daarmee wordt zij geïnstrumentaliseerd. Er is bovendien te weinig oog voor structurele omstandigheden of blokkades in levensgeschiedenissen die belemmerend kunnen werken.
4. Het werken aan relatieopbouw en bij vijandschap aan verzoening tussen mensen en bevolkingsgroepen.
5. Werken aan bewustwording van noden binnen kerken en samenleving. Dit is van wezenlijk belang, omdat armen en andere noodlijdenden een minderheid in onze samenleving vormen die politiek en economisch te weinig invloed heeft om hun positie te kunnen verbeteren. Zij hebben dus steun van niet-armen nodig om hun positie te kunnen verbeteren.
6. Pleitbezorging en signalering: het mede mogelijk helpen maken dat mensen zelf voor hun belangen kunnen opkomen en als kerken in verbinding met mensen in nood opkomen voor hun positieverbetering. Dat kan op individueel niveau (bijvoorbeeld bij een uitkeringsinstantie, een woningbouwcorporatie, een nutsbedrijf) en het kan politieke en structurele zaken betreffen op lokaal, regionaal en landelijk niveau.
7. Deelname aan het publieke debat betreffende de fundamentele vragen die men in het praktische werk tegenkomt over inkomens- en vermogensverschillen, de plaats die er al dan niet is voor mensen in de samenleving, de visie op arbeid enzovoort.
Het bovenstaande wil niet zeggen dat iedere medewerker of elke werkeenheid al deze activiteiten moet doen, maar het zou goed zijn als de DAK-organisaties in hun geheel een beweging vormen die deze functies behartigt. Zij hebben juist door hun concrete werk met concrete mensen een schat aan unieke kennis, die het waard is om ingezet te worden in kerken, politiek en samenleving om levensmogelijkheden voor deze mensen te verbeteren.

Download

terug
 
 
In Beeld
Activiteiten bij de inloop
meer
 
Wat doet Netwerk DAK?
meer
 
Ons werk wordt mede mogelijk gemaakt door