Netwerk DAK - Door Aandacht Kracht
 
Onderzoek relatie diaconie en inloophuizen

 Download hier het document
 


Kerk in Actie

Project Onderzoek relatie diaconieën en inloophuizen

CONCEPT Eindverslag
April 2014
Versie 170414
 
 
Henk-Jan Gosseling
 
 
 
Voorwoord
 
Kerkinactie, de diaconale afdeling van de Protestantse Kerk Nederland, begon medio 2012 met een verkennend onderzoek naar de relatie tussen plaatselijke diaconieën en inloophuizen. Hiervoor zijn tot  eind 2013 gesprekken gevoerd met diaconieën in het land. Voor u ligt het eindverslag van het onderzoek.
Het onderzoek is uitgevoerd door Henk-Jan Gosseling. De projectcoördinatie lag bij Willy Meijnhardt.
Op deze plaats bedanken wij de leden van de diaconieën die aan het onderzoek hebben meegewerkt. Zij hebben tijd ingeruimd in hun vergadering, en energie gestoken in de gesprekken, die plezierig en geanimeerd zijn verlopen. We hebben van de ervaringen in de verschillende plaatsen veel geleerd.
 
 
Inleiding
 
 
Protestantse diaconieën zijn in diverse plaatsen in ons land betrokken geweest bij de oprichting van een inloophuis. In de meeste gevallen speelde dat in de tijd voor de kerkfusie, en ging het dan ook om  de hervormde, de gereformeerde of de SOW-diaconie. In dit verslag scharen we deze alle onder de noemer “protestantse diaconie”.
Soms was de diaconie de initiatiefnemer, in andere gevallen was zij betrokken bij een initiatief van anderen.
 
Bij Kerkinactie signaleerden wij een aantal ontwikkelingen die aanleiding vormen voor het onderzoek. 
Zo hadden wij de indruk dat de band tussen inloophuizen en de erbij betrokken diaconieën in de loop der jaren losser is geworden. 
Ten tweede zagen we een worsteling bij inloophuizen met hun bestaan en identiteit.
En ten derde bestond de indruk, dat het verhaal van de inloophuizen weinig weerklinkt in de kerk en in kerkdiensten.
Het onderzoek was bedoeld om deze indrukken te verdiepen, en te zien of het beeld klopt en welke factoren hierbij een rol spelen. Preciezer gesteld, willen we met het onderzoek helder krijgen hoe die betrokkenheid van de diaconie bij het inloophuis zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld. Ook willen we zicht krijgen op de rol die inloophuizen spelen in het beleid van de diaconie, en in het diaconale bewustzijn en handelen van protestantse gemeenten.
 
Het startpunt van het onderzoek ligt dus niet bij het reilen en zeilen van het inloophuis op zich (al komt dat ook wel aan de orde), maar bij de diaconie zelf, en hoe zij haar relatie met het inloophuis ziet. Maakt de diaconie gebruik van het inloophuis voor het diaconale werk in kerk en stad? En zo ja op welke wijze?
 
 
Aanpak en werkwijze
 
De doelgroep van het onderzoek werd gevormd door protestantse diaconieën in het land, die betrokken zijn bij een inloophuis. Onze opzet was om een gesprek te hebben bij de diaconie, zo mogelijk tijdens een plenaire vergadering van de diaconie, of anders met het moderamen. De gedachte was dat een gesprek met de voltallige diaconie een zo compleet mogelijk beeld zou opleveren. Immers, velen weten meer dan één.
 
Ik kwam de inloophuizen op het spoor op de website van Netwerk DAK, de koepel van inloophuizen (www.netwerkdak.nl). Om praktische redenen heb ik vooral gekozen voor plaatsen in het midden en oosten van het land. Contact werd gezocht met een diaconie met het verzoek om ruimte in de vergadering.
Ik heb met 15 protestantse diaconieën contact gehad. In 11 gevallen ging het om een gesprek tijdens een vergadering, meestal van de gehele diaconie en in een enkel geval alleen met het moderamen. Dit betrof de plaatsen Amersfoort, Apeldoorn, Dieren, Dronten, Hengelo, Hilversum, Leeuwarden, Tiel, Vianen, Wageningen en Zwolle.
Met Ermelo, Culemborg, Veenendaal en Huizen is het contact alleen per telefoon en/of email geweest.
 
Het gesprek was opgezet als een open gesprek rondom een aantal vragen. De vragen waren soms welk maar meestal niet van tevoren toegestuurd, vanuit de gedachte dat er binnen de diaconie wel kennis is van de geschiedenis en de relatie tot het inloophuis. Op dit punt kom ik later terug.
De vragen voor het gesprek waren:
 
Was de diaconie betrokken bij de oprichting van het inloophuis? Zo ja, op welke manier?
Hoe heeft de relatie tussen de diaconie en het inloophuis zich sindsdien ontwikkeld?
(Is die intensiever geworden, of is er juist meer afstand gekomen)
Welke banden zijn er momenteel tussen diaconie en inloophuis? Denk hierbij aan financiële ondersteuning, zitting van een diaken in het bestuur, regelmatig overleg tussen diaconie en bestuur inloophuis, enz.
Heeft het verhaal van het inloophuis een plaats in de kerk? (bijvoorbeeld in de kerkdienst, d.m.v. een collecte, stukjes in het kerkblad, inloophuisgasten die de dienst bezoeken, enz).
Maakt de diaconie “gebruik” van het inloophuis bij het bevorderen van het diaconaal bewustzijn en het diaconaal handelen van de gemeente? Wordt het inloophuis bijvoorbeeld genoemd in het beleidsplan van de diaconie?
 
 
Het proces van het onderzoek
 
In hoofdstuk 4. geef ik de grote lijnen weer die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen. Op deze plek zeg ik eerst iets over het verloop van het onderzoek en de gesprekken zelf.
 
Zoals genoemd was onze opzet een gesprek met de gehele diaconie. Dat is in de meeste gevallen ook gebeurd. Wel betekende dat dat er al gauw acht tot tien mensen aan tafel zaten, een grote groep. De gesprekken verliepen meestal goed en geanimeerd. Aan de gesprekken nam lang niet iedereen actief deel, in de meeste gevallen traden 2 of 3 van de aanwezigen als woordvoerder op. Dat waren de diakenen die de meeste affiniteit hadden met het inloophuis. Soms was dat een oudgediende, die het inloophuis al langer kende, soms een diaken die specifiek de contacten met het inloophuis in zijn of haar takenpakket had.
Er was soms sprake van een zwijgende meerderheid. Gaandeweg bekroop me dan ook het gevoel dat ik beter het gesprek met een  klein comité had kunnen hebben. Dat zou het moderamen kunnen zijn, of een groepje van mensen die de geschiedenis van en met het inloophuis goed kennen. Toen ik daarvan overtuigd raakte, was het onderzoek al zo ver gevorderd dat het niet zo zinnig leek om nog van werkwijze te veranderen.
 
 
De gesprekken bleken voor de  diakenen nogal eens een trigger om de verhouding van de diaconie tot het inloophuis eens tegen het licht te houden. Dat begon vaak  al tijdens het gesprek zelf, waarin diakenen soms met elkaar hierover ideeën gingen uitwisselen. Ik zou in de gesprekken daarom een vraag moeten toevoegen, namelijk: “Zouden jullie zelf ook meer willen in de relatie met het inloophuis?” Het is kennelijk een actuele vraag, die niet bovenaan de prioriteitenlijst staat, maar wel vlak onder de oppervlakte aanwezig is en gemakkelijk naar boven komt.
 
Ik merkte gaandeweg dat het de voorkeur had om de vragen tevoren op te sturen, zodat de diakenen ook meer beslagen ten ijs zouden komen. Dat werd soms ook genoemd, zeker als het ging om de geschiedenis van de betrokkenheid van de diaconie. Deze gaat soms wel 20 tot 30 jaar terug, en geen van de zittende diakenen heeft hier nog weet van. Ik ben iets te optimistisch geweest in mijn inschatting van de betrokkenheid bij en de visie op het inloophuis bij diaconieën.
 
 
Het karakter van inloophuizen
 
 
Alvorens op de uitkomsten van het onderzoek in te gaan, geef ik in dit hoofdstuk wat meer achtergronden van inloophuizen. Wat zijn inloophuizen? Welke aspecten staan centraal in inloophuizen? Hoe is de band met de kerken? En dergelikje.
 
Hiervoor ben ik te rade gegaan bij het werk van Sake Stoppels, docent praktische theologie aan de Vrije Universiteit. Hij heeft in de jaren negentig baanbrekend werk verricht in het onderzoek naar inloophuizen. Hoewel dus al wat gedateerd, is zijn werk nog steeds actueel. De wereld van inloophuizen verandert niet zo snel.
Stoppels promoveerde in 1996 op het proefschrift “Gastvrijheid. Het inloopcentrum als vorm van kerkelijke presentie”. Een jaar later verwerkte hij zijn bevindingen in een handboek over en voor inloophuizen, onder de titel “Een gastvrij onthaal”.
Stoppels beschouwt inloophuizen, die hij inloopcentra noemt, als plekken waar mensen elkaars medemensen kunnen zijn en worden. Hij definieert ze als een vorm van para-kerkelijke presentie waarin men laagdrempelig en zonder een van te voren vastgesteld programma, beschikbaar wil zijn voor in principe iedereen (uit de doelgroep). (pag. 14). Mensen zijn welkom voor koffie en gesprek, er hoeft verder niets. “Mensen zijn letterlijk zonder meer welkom”. Voor bezoekers die meer willen zijn er maaltijden, gespreksgroepen, vieringen, en activiteiten op het gebied van ontspanning en cultuur. Ook wordt vaak concrete diaconale hulp geboden.
Stoppels stelt dat kerken het lastig vinden om inloopcentra te duiden in termen van pastoraat of diaconaat. Wat is het? Daarom kiest men ervoor om niet vanuit dat kader te redeneren, maar juist in te zetten bij de mensen waarop het inloophuis zich richt. Gastvrijheid is een kernbegrip, dat gekenmerkt wordt door concreetheid, ontvankelijkheid, die vrijheid waarborgt. Hij ziet het tevens als uiting van een tegencultuur, namelijk ingaand tegen de individualisering.
 
Stoppels gaat ook in op de relatie tot de kerken. Hij pleit voor een oecumenische aanpak, omdat het niet gaat om presentie vanuit één kerk, maar om presentie vanuit het evangelie. Verder denkt hij dat mensen minder argwanend zijn bij een oecumenisch project dan bij een project vanuit één kerk. Een belangrijk neveneffect van een oecumenische insteek is volgens Stoppels de ontmoeting van mensen uit verschillende kerken die betrokken zijn bij het inloopcentrum.
 
Stoppels ontdekte dat de band tussen inloopcentrum en kerkelijke gemeente losjes is. Vaak is het eenrichtingsverkeer: de kerken leveren geld en mensen. Voor de rest groeien ze uit elkaar. Hij spreekt zelfs van een bijna natuurlijke tendens tot verwijdering van de kerkelijke gemeente en het inloopcentrum (pag 93).
Stoppels is van mening dat een andere houding van beide partijen ten opzichte van elkaar tot een beter contact zal leiden (zie pag 92). Kerken moeten oppassen het inloopcentrum te zien als alibi voor hun (gebrek aan) inspanningen om present te zijn in de samenleving. Als een façade waarachter ze hun binnenkerkelijke gang kunnen gaan. Volgens Stoppels is een inloopcentrum wezenlijk onderdeel van het kerk-zijn.
 
Van de andere kant zou het inloopcentrum moeten zoeken naar wegen om hun ervaringen terug te koppelen naar kerk en theologie. Onder andere via gemeenteavonden en kraampjes op startzondagen.
Inloopcentra hebben de mogelijkheid in zich om zelf een vorm van kerkzijn te worden. Er ontstaat gemeenschap en er wordt liturgie gevierd.
 
In een aantal plaatsen vond Stoppels initiatieven om de kloof tussen inloopcentra en kerken te verkleinen. Zoals
Het houden van kerkelijke vergaderingen in het inloopcentrum
De beroepskracht van het inloopcentrum deel laten uitmaken van het pastoresoverleg
Een vaste rubriek van het inloopcentrum in het kerkblad
Een diaken aanstellen met als taak het contact met het inloophuis.
Een themadienst in de kerk, vanuit het inloopcentrum georganiseerd.
 
Stoppels merkte in zijn onderzoek dat de christelijke identiteit van inloophuizen – toen al – sterk vervaagde. Vrijwilligers en beroepskrachten hebben steeds minder met de kerk.Het levensbeschouwelijk karakter komt vooral naar voren in beleidsstukken en op scharniermomenten, maar niet in de dagelijkse praktijk. En soms vooral om aan te geven wat het centrum niet is: “ we gaan geen zieltjes winnen”.
De kern van het werk is het schenken van koffie en aandacht. Het risico bestaat dat het inloopcentrum verwordt tot een koffiehuis waar oppervlakkigheid troef is. Stoppels pleitte voor een versterking van de christelijke identiteit, o.a. door in dat opzicht eisen te stellen aan de medewerkers en de vrijwilligers.
 
 
Inloophuizen en  diaconaal bewustzijn
 
Een van de vragen in onze verkenning was of het inloophuis een rol speelt bij het bevorderen van het diaconaal bewustzijn in kerken. De term diaconaal bewustzijn vraagt om nadere uitwerking. Ik heb in de literatuur weinig expliciet over diaconaal bewustzijn gevonden. De term wordt vaak gebruikt maar zelden uitgelegd. Ook in beleidsstukken van diaconieën wordt de term gebruikt en ook daar wordt de betekenis ervan als helder beschouwd. En eerlijk gezegd gebruiken we het in dit onderzoek ook zonder verdere toelichting. Gaandeweg beseften we dat dat wel nodig is.
Daarom hier een poging. Een kerntaak van de diaconie is het stimuleren van diaconaal bewustzijn van de gemeente. Bij diaconie gaat het steeds om oog hebben voor zwakken in de samenleving. En om oog hebben voor onrechtvaardigheid die de positie van deze mensen veroorzaakt en laat bestaan. En om het handelen dat hieruit voortkomt. We kunnen dan onder diaconaal bewustzijn verstaan een houding en een perceptie die bovenstaande ondersteunt. Oog hebben voor ongerechtigheid, het opmerken, er gevoelig voor zijn, en er wat aan willen doen.
Een inloophuis kan heel goed een middel zijn om het diaconaal bewustzijn te bevorderen. Immers, hier komen mensen uit de marge van de samenleving, en hier kunnen kerkmensen oog krijgen voor hun situatie, en inzicht in achterliggende factoren. En in het inloophuis kunnen zij tot handelen worden uitgedaagd en geïnspireerd.
 
 
Bevindingen uit het onderzoek
 
 
Na deze inleiding en de achtergrond van het onderzoek, zijn we nu toe aan de bevindingen uit het onderzoek. Er zijn duidelijk grote lijnen aan te geven, ontwikkelingen en tendensen die zich breed blijken voor te doen in de relatie tussen diaconieën en inloophuizen. Deze geef ik hieronder weer. Daarbij gebruik ik citaten uit de gesprekken gebruikt om de bevindingen te illustreren.
 
 
Veel inloophuizen bestaan inmiddels enkele tientallen jaren, en in die periode is hun aanpak in grote lijnen dezelfde gebleven. Het gaat om het bieden van aandacht, koffie en een schouder.
 
In de jaren tachtig en negentig openden veel inloophuizen hun deuren. Zij bestaan dus onderhand 20 tot 30 jaar, een flinke periode. De nadruk lag in al die jaren sterk op het bieden van een plek waar men kan binnenlopen, waar koffie is, waar men kan zijn zonder dat er verdere eisen worden gesteld.  
Die aanpak heeft kennelijk goed gewerkt, er was weinig aanleiding om de werkwijze wezenlijk te veranderen.
Tijdens een gesprek bij een diaconie merkte iemand op:
 
“Het inloophuis bedreef maar één tak van sport, namelijk inloop met koffie.”
 
 
In de jaren sinds hun ontstaan zijn inloophuizen sterk op eigen benen gaan staan.  Ze worden vaak getypeerd als zelfstandige, goedlopende organisaties. De band tussen diaconie en inloophuis is daardoor losser geworden, en het inloophuis is geseculariseerd.
 
Bij het ontstaan van het inloophuis waren de protestantse gemeente en diaconie vaak sterk betrokken, in heel wat plaatsen zelfs als initiatiefnemer. Destijds betrof dit natuurlijk nog de hervormde, de gereformeerde of de SOW-diaconie. Vaak waren er ook andere kerken in de stad bij betrokken.
De initiatiefnemers streefden ernaar dat het inloophuis zich zou ontwikkelen tot een zelfstandige organisatie. Dat is in de meeste gevallen goed gelukt. Hiermee is de band tussen diaconie en inloophuis losser geworden. Het contact dat er nog wel is heeft vaak de vorm van een jaarlijks gesprek tussen diaconie en bestuur of door een afgevaardigde van de diaconie in het bestuur van het inloophuis zit.
 
Bovenstaande wordt goed geïllustreerd door de volgende citaten uit de gesprekken:
 
“Het inloophuis is in de loop van de tijd op eigen benen gaan staan. Dat is op zich een positieve ontwikkeling. De diaconie hoort vooral iets als het niet goed loopt. En we horen weinig.”
 
“De relatie tussen ih en diaconie is wat verwaterd. Er zit nog wel een afgevaardigde van de diaconie in het bestuur van het inloophuis. En het is een vast agendapunt op de vergaderingen.”
 
“Men heeft een burgerlijke stichting opgezet, geen kerkelijke stichting. Dit is van belang om subsidie te krijgen. De bestuursleden zitten niet in het bestuur namens een kerk, al zijn het in de meeste gevallen wel betrokken kerkleden. Daardoor is ook de band tussen de kerk en het inloophuis losser geworden.”
 
“Dat de band nu losser is vindt de diaconie op zich een goede ontwikkeling. De diaconie zet bij voorkeur dingen op die na enige tijd zichzelf kunnen bedruipen. Tweemaal
 per jaar is er een gesprek tussen de diaconie en het bestuur van het inloophuis.”.
 
“Sinds er een beroepskracht is bij het inloophuis, is de betrokkenheid van de diaconie ook minder geworden.”?????
 
 
Op een aantal vlakken is de band echter nog sterk. Diaconieën zijn nog steeds financieel sterk betrokken bij inloophuizen.  
 
Met betrekking tot de financiële exploitatie van het inloophuis is de band niet losser geworden. Integendeel zelfs, de diaconie is een belangrijke financier van inloophuizen. Veel huizen kampen van tijd tot tijd met financiële zorgen, en dan is de protestantse diaconie een van de eersten die het hoort. En waarvan het inloophuis financiële hulp verwacht. Zie het volgende citaat:
 
“Het inloophuis zit momenteel in een moeilijke fase op financieel gebied. Ze kijken nu vooral naar de diaconie om financiële redenen. In een recent gesprek tussen de beide besturen was geld voor het bestuur van het inloophuis het belangrijkste agendapunt.”
 
“Er zijn regelmatig collectes voor het inloophuis in de wijkgemeenten. Daarbij wordt het een en ander verteld over het inloophuis.”
 
 
Een tweede punt waarin de band nog wel erg sterk is tussen protestantse gemeente en inloophuis, betreft de vrijwilligers van het huis. Vaak is een groot deel van de vrijwilligers afkomstig uit de protestantse gemeente.
 
Het gaat hier niet om een formele betrokkenheid, maar een informele. De vrijwilligers zijn immers niet als kerklid actief in het inloophuis, maar omdat zij wel uit de gemeente afkomstig zijn is er wel sprake van een verbinding. De gemeenteleden nemen hun ervaringen in het inloophuis ook mee wanneer ze in de kerk zitten of actief zijn in een groep van de kerk. En dit is dan ook een niet te onderschatten relatie tussen kerk en inloophuis.
 
 
Een veel voorkomend dilemma is: presenteert het inloophuis zich wel of niet als iets “van de kerk”?
 
De inloophuizen uit het onderzoek zijn alle ontstaan vanuit kerkelijk initiatief. Maar in hoeverre is dat prominent aanwezig in hun presentatie. Hier ligt een spanningsveld dat in de loop der jaren steeds sterker wordt.
 
“Er is een worsteling met identiteit. Wel of niet van de kerk. De kerk is al van de folder af gevallen…..
Zet je in op een hoog of laag profiel (wat betreft het kerkelijk gehalte)?”
 
Het dilemma is nog sterker aanwezig bij inloophuizen die in een ruimte van de kerk zijn gevestigd. Zeker als die ruimte ook nog eens in of naast de kerk ligt.
 
“Het inloophuis ligt naast de kerk, het is duidelijk een pand van de kerk waar het in zit.  Is dat wel handig, of werpt het juist een drempel op? Het inloophuis wil een diaconaal centrum zijn voor iedereen.”
 
“Het gebouw wordt ook gebruikt voor de kindernevendienst, en het is ook de werkkamer van de predikant.”
 
 
 
De rol die het inloophuis speelt in het kerkelijk leven is vaak beperkt.
 
Afgezien van de financiële banden met de diaconie, en de vele kerkelijke vrijwilligers, speelt het inloophuis een bescheiden rol in het kerkelijk leven. Een kort stukje in het kerkblad, een regelmatige collecte, dat is het wel zo ongeveer.
In beleidsplannen en op de agenda van de diaconie komt het inloophuis voor, maar ook niet heel uitgebreid. In een gesprek zei men het als volgt:
 
“In het beleidsplan van de diaconie wordt de stichting inloophuis genoemd als een initiatief waarin de gezamenlijke kerken op praktische wijze present zijn in de stad. Een plek voor aandacht, rust en bezinning.”
 
Bij een andere diaconie was het wel heel summier:
 
“In het beleidsplan van de diaconie staat maar één zinnetje over het inloophuis.”
 
Op weer een andere plek zag men het positiever:
 
“Er is een sterke verbondenheid tussen diaconie en inloophuis. Het inloophuis staat op de “aandachtslijst”, dat is een lijst met onderwerpen die met enige regelmaat op de agenda van de vergadering van de diaconie komen.”
 
Er is niks veranderd! Dit punt werd ook al gezien door Stoppels in 1996!
 
 
Het punt lijkt hier en daar bereikt dat inloophuizen de bakens gaan verzetten, en kiezen voor een andere aanpak.
 
Er komt langzaamaan verandering in die aanpak dat het inloophuis vooral koffie en aandacht biedt.  Dat blijkt o.a. uit het volgende citaat, van de voorzitter van een diaconie:
 
“Veel inloophuizen worstelen met het punt dat ze sinds hun begin altijd dezelfde formule zijn blijven hanteren. Namelijk zingeving en aandacht. Dat is in twintig jaar tijd niet wezenlijk veranderd.
Intussen komt men erachter, dat het inloophuis niet alleen moet “zijn”, maar ook activiteiten moet aanbieden. Niet alleen “zijn”, maar ook “doen”.”
 
Soms merkt men dat de aanpak aan verandering toe is, zoals hier (deze zin moet anders:
 
“De bezoekersaantallen liepen terug, de doelgroep werd ouder, en er was eigenlijk niet veel gedaan aan ontwikkeling van de bezoekersgroep.”
 
Hoewel de maatschappij in de laatste 20 tot 30 jaar flink is veranderd, slaagden de inloophuizen er in om hun aanpak redelijk ongeschonden en zonder grote veranderingen door die periode te loodsen.
Maar dit is wel heel positief gesteld. Je kan ook zeggen, de inloophuizen hebben verzuimd de bakens te verzetten. Anno 2014 kunnen ze er echter niet meer omheen, dat dat nodig is. En daar wordt op veel plekken ook aan gewerkt, of men is eraan toe om hieraan te werken.
 
 
In enkele plaatsen is het inloophuis al verder, en ontwikkelen zij nieuw beleid en een nieuwe aanpak. Vooral in het licht van de WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning). De diaconie is daar soms bij betrokken.
 
Onder invloed van ontwikkelingen in politiek en samenleving, en in zorg- en welzijnsland gaan inloophuizen langzamerhand de bakens verzetten. Ze zien mogelijkheden in het licht van de WMO. Ze moeten beter gaan omschrijven wat zij doen, met name op de domeinen van de WMO. Wellicht kunnen ze subsidie krijgen.
En de veranderingen zullen ook leiden tot veranderingen bij de doelgroep van het ih. De kanteling van de WMO betekent dat mensen zelf ook iets moeten doen om hulp te krijgen. Ze moeten eerst hulp zoeken in eigen kring. Voor veel bezoekers is het moeilijk de regie over het eigen leven te pakken zoals de WMO dat beoogt. Dus nieuwe problemen komen het ih binnen, en het ih moet zich bezinnen op zijn ook veranderende rol.
Hierin heeft het inloophuis wellicht ook een rol. Bijvoorbeeld bij het opbouwen en onderhouden van een sociaal netwerk door de doelgroep. Hoe dan? In Meet Inn worden hiervoor aanbevelingen gedaan.
 
Er is sowieso behoefte aan een frisse wind bij inloophuizen, aan vernieuwing, aan andere bezoekersgroepen en andere activiteiten.
In verschillende mate zijn diaconieën hierbij betrokken. In een plaats is dat heel sterk het geval, in een andere plaats minder.
De diaconie in een bepaalde stad ziet voor zichzelf een belangrijke rol om het inloophuis om te vormen tot een activerend centrum. Zie het citaat:
 
“Het beleidsplan van de diaconie zet in op de ontwikkeling van een sociaal hulp- en activeringscentrum. Dat is nog niet nader ingevuld. Maar zeker is dat men nog meer gebruik wil gaan maken van het inloophuis. Als diaconaal speerpunt, als voertuig voor diaconale activiteiten en voor diaconaal bewustzijn.
In  zo’n centrum staan drie zaken centraal, namelijk ontmoeting, hulp en activering. De hulp en de ontmoeting waren er al, maar de activering en de bemiddeling daarbij zijn het vernieuwende hierin.”
 
Deze diaconie heeft visie voor wat nodig is in deze tijd. En ze zien scherp dat het inloophuis een grote rol kan spelen in het ontwikkelen van dit centrum. Diaconie en inloophuis zullen hierin actief samenwerken:
 
“Als diaconie zou je wel gek zijn om zo’n mooie voorziening als het inloophuis niet te gebruiken in je diaconale werk. In onze stad zien we het inloophuis dan ook als een diaconaal speerpunt.
In de huidige fase zien we de noodzaak om beleid van diaconie en inloophuis op elkaar af te stemmen. Immers, beide besturen hebben plannen voor de toekomst gemaakt. Wanneer dat samen kan oplopen dan kan er iets heel moois groeien.
In het huidige proces zijn bestuur diaconie en bestuur inloophuis wel behoorlijk met elkaar in de weer. Dat zal daarna ook wel blijven.”
 
In een andere plaats is het inloophuis bezig om “de boel open te gooien”, ook in het licht van de WMO. De diaconie is hier nog wat zijdelings bij betrokken, maar dat kan in de toekomst sterker worden:
.
“Iemand van Netwerk DAK heeft de vrijwilligers van het inloophuis onlangs uitleg gegeven over de WMO. Centraal stond wat de WMO voor het inloophuis betekent. Door die presentatie is er wel wat veranderd in de houding van de vrijwilligers.”
 
De vrijwilligers wilden eigenlijk gewoon doorgaan met wat ze altijd al deden. Koffie, aandacht en een schouder bieden. Ze gaan nu langzaam inzien dat in het WMO-tijdperk de  bakens verzet moeten worden.
Het bestuur van het inloophuis heeft de handschoen al eerder opgepakt, zo vertelt een diaken:
 
“Het bestuur heeft voor het eerst een beleidsdocument gemaakt, dat ze aan de burgerlijke gemeente heeft opgestuurd. Daarin staat o.a. dat het inloophuis meer activiteiten en cursussen gaat aanbieden.
De WMO biedt een nieuwe impuls voor de relatie tussen inloophuis en gemeente.
Als diaconie zien wij kansen om op dit vlak meer te doen met het inloophuis. Bijvoorbeeld rondom jongeren en hun diaconaal bewustzijn.”
 
 
Diaconieën hebben behoefte aan advies over hun relatie tot het inloophuis, en hoe daarvan gebruik te maken.
 
Deze behoefte wordt soms wel uitgesproken. Zo bestond in een plaats bij de diaconie de behoefte dat het inloophuis een meer activerend centrum zou worden. Maar het is niet gelukt. Men heeft nog steeds wel de behoefte aan advies om “meer” met het inloophuis te doen.
Een diaken verwoordt het zo:
 
“Er was  sprake van dat er een soort WMO-loket in het inloophuis zou komen, maar dat is niet gelukt. Het idee was dat mensen ‘s morgens konden komen voor dat loket. Er is ook vanuit het inloophuis wel aan gedacht om meer activiteiten te ontwikkelen. Maar hoe doe je dat?
Ook als diaconie willen we graag wat meer leven in de brouwerij van het inloophuis. En dat er wat vers bloed komt onder de bezoekers en de vrijwilligers. We hebben wel behoefte aan advies hierbij. “
 
 
Inloophuizen hebben doorgaans een grote naamsbekendheid in kerk en stad. Maar dat blijft een oppervlakkige kennis, wat er precies gebeurt weten veel mensen niet (ook kerkleden niet).
 
Nogal eens wordt opgemerkt dat vrijwilligers het inloophuis vaak zien als iets van en voor henzelf. Het lijkt soms alsof de vrijwilligers het huis meer voor henzelf open stellen dan voor de doelgroep die als bezoeker binnenkomt.”
Verder is de groep vrijwilligers vaak wat conservatief. Zij willen vooral koffieschenken. En staan niet echt open voor veranderingen in koers en aanpak van het inloophuis.
 
 
Inloophuizen en veranderingen in zorg en welzijn
 
Hierboven werd al aangestipt dat veranderen op het gebeid van zorg en welzijn een uitdaging zijn voor inloophuizen. Overheidsbeleid en bezuinigingen wijzen in de richting van de noodzaak dat mensen zelfredzamer worden, en minder zorgafhankelijk. Dat doet de vraag rijzen in hoeverre inloophuizen hun aanpak van koffie en aandacht moeten aanpassen, en meer moeten inzetten op activereing van bezoekers, op het ondersteunen bij zelfredzaamheid en bij het ontwikkelen van een netwerk.
 
Studenten van de C Christelijke Hogeschool Ede hebben een scriptie geschreven over deze vraag, ter gelegenheid van het 25-jargbestaan van inloopcentrum Meet Inn Ede. In dit hoofdstuk kijken we naar hun onderzoek en de aanbevelingen die zij doen. Zij kunnen van nut zijn voor inloophuizen bij deze vraag.
 
Wat wordt er door ontwikkelingen in zorg en welzijn verwacht aan zelfsturing van bezoekers, en welke rol kan het inloopcentrum hierin spelen? Dat is de centrale vraag van het onderzoek.
De ontwikkelingen waarop zij doelen, zijn met name bezuinigingen, de kanteling van de WMO (van een recht op een voorziening naar de verplichting om eerst te kijken wat men zelf nog kan, of waarin het sociaal netwerk kan voorzien), eigen kracht, enz.
Er wordt verantwoordelijkheid voor het eigen leven verwacht. Daarin wordt verwacht dat mensen in staat zijn voor zichzelf te zorgen en wanneer dit niet lukt, dat ze hulp vragen. Het blijkt dat veel bezoekers van een ih dit niet kunnen (pag. 61).  Mensen worden geacht een eigen sociaal netwerk te hebben of op te bouwen dat hen ondersteuning kan geven. Bezoekers van een inloopcentrum ontberen een dergelijk netwerk vaak.
De aanbeveling is dan ook dat Meet Inn de bezoekers gaan ondersteunen bij het ontwikkelen van vaardigheden die nodig zijn om “mee te bewegen met ontwikkelingen in zorg en welzijn”. Gebeurt dat niet, leren zij die vaardigheden niet dan zullen ze buiten de boot vallen pag 7).
Bezoekers van Meetinn worden onrustig door ontwikkelingen van overheidswege, en zitten i de fase van de weerstand hiertegen. Het zijn veranderingen waar ze niet op zitten te wachten. Oorzaken dat zij niet meebewegen zijn gebrek aan vaardigheden, intelligentie, het vermogen eigen verantwoordelijkheid te dragen,
Ze hebbe geen sociaal netwerk dat de wegbezuinigde hulp kan vervangen. Als hun netwerk al groot is, gaat het vaak om anderen die in hetzelfde schuitje zitten. Meet Inn zal in de toekomst meer te maken krijgen met de gevolgen hiervan, meer bezoekers die grotere problemen hebben.
De studenten zien een stimulerende rol voor Meet Inn weggelegd om bezoekers te ondersteunen om wel hun weg te vinden in de nieuwe samenleving.
Hun aanbevelingen zijn: bezoekers stoppen met klagen en vrijwilligers stop met de reddersrol.
Organiseer een activiteit die hen leert zelf beslissingen te nemen. Bijv. een schildermiddag waar ze iets van henzelf moeten uitbeelden, of een fietsreparatiemiddag waarin iemand die dat goed kan fietsen gaat repareren.
Ondersteun hen bij het zelf opzoeken van welke hulp voorhanden is. Doe dit eerst samen met bezoekers, zodat ze het later zelf kunnen.
Groepsgesprek met bezoekers, klankbordgroep voor bezoekers, met de focus op mogelijkheden en niet op klagen.
Ze vormen een groep, nu al, en dat is een kracht.
Meet Inn moet zich ontwikkelen van een hangplek naar een doeplek. Bijv. een matchbord met vraag en aanbod van klussen. Kracht en talenten komen dan tot uiting.
Verder verandert de rol van de professional en de vrijwilliger. Maar hoe, dat heb ik nog niet gelezen.
 
 
Afronding
 
 
We zien dat veel zaken die Sake Stoppels beschrijft in zijn onderzoek van twintig jaar geleden, ook vandaag de dag wezenlijk hetzelfde zijn gebleven. Er verandert ook niet snel veel in de wereld van inloophuizen, dat wisten we al. De vragen die Kerkinactie stelde  in dit onderzoek waren door Stoppels ook al gevonden.
Inloophuizen hebben zich al tientallen jaren sterk gericht op het bieden van koffie en aandacht. Mensen mogen er zijn. Een goede zaak. Tegelijk moeten we zeggen dat er anno 2014 misschien meer nodig is. We zien dat inloophuizen aarzelend bezig zijn de bakens te verzetten en te kijken wat ze moeten gaan doen om WMO-proof te worden. Het onderzoek van studenten van de CHE is een terecht pleidooi dat inloophuizen zich omvormen tot plekken waar mensen geactiveerd worden.
Van zijn naar doen. Van presentie naar interventie.
 
We zien dat diaconieën hier ook over willen nadenken. Zij hebben latente behoefte hebben aan ondersteuning hierbij. Diaconieën vinden het ook wel een gemis dat er minder wisselwerking is met het inloophuis. Dat het organisatorisch op eigen benen staan is prima, maar inhoudelijk liggen er nog onbenutte kansen. Diaconieën willen zeker meedenken over de koers van het inloophuis.
Wellicht kan Kerkinactie hierin een rol vervullen.
 
 
 
Literatuur
 
Noordegraaf, H.
Kerk en WMO: de eerste vijf jaren. Groningen, 2012.
http://stichtingrotterdam.nl/images/stories/publiek/onderzoeksrapport%20kerk%20en%20wmo%202007-2011.pdf
 
Roeland, Willeke, en Andreas Verwaal
Afstudeeronderzoek “Meet Inn toekomstbestendig”. Ede 2013.
http://www.meet-inn.nl/files/2013-06-11%20Afstudeeronderzoek%20Meet-Inn%20Toekomstbestendig!%20def.pdf
 
Stoppels, Sake:
Gastvrijheid. Het inloopcentrum als vorm van kerkelijke presentie. Kampen, 1996.
 
Stoppels, Sake:
Een gastvrij onthaal. Kampen 1997.
 
Velde, Koert van der:
Promovendus: beperk ongelovige vrijwilligers in inloopcentra. Trouw, 30 mei 1996.
http://www.trouw.nl/tr/nl/4512/Cultuur/archief/article/detail/2668240/1996/05/30/Promovendus-beperk-ongelovige-vrijwilligers-in-inloopcentraChristelijke-identiteit-vervaagt-steeds-meer.dhtml
 
 

terug
 
 
In Beeld
Activiteiten bij de inloop
meer
 
Wat doet Netwerk DAK?
meer
 
Ons werk wordt mede mogelijk gemaakt door