Netwerk DAK
 
Leren omgaan met eigenwijze vrijwilligers




Leren omgaan met eigenwijze vrijwilligers en uitvallers
De maatschappij verandert en de inloophuizen en buurtpastoraten zullen daarin mee moeten. Maar wat verandert er precies? Waar vallen de gaten door het afbrokkelen van de verzorgingsstaat? En voelen vrijwilligers zich nog wel senang in de inloophuizen en buurtpastoraten? Een verkenning.
 
Alom horen we dat het westen zich in een crisis bevindt: financieel, economisch, democratisch… En dan hebben we het nog niet gehad over het milieu en het mondiale vluchtelingendrama. Maar we moeten ons niet gek laten maken: we zijn nog steeds een van de rijkste landen van de wereld, waar mensen zich gelukkiger voelen dan in de meeste andere landen. Bovendien leert de geschiedenis: geen crisis zo groot of de mens slaat zich er doorheen.
De mens is een sociaal wezen – ongeacht of dat nu komt door de Schepper of door biologische noodzaak. We zorgen voor ons nageslacht en voor mensen die dreigen uit te vallen door ziekte of ouderdom. Dat sociale vermogen is in de loop van de menselijke geschiedenis beetje bij beetje verder ontwikkeld geraakt. De samenleving werd complexer en dat maakte het nodig om aparte maatschappelijke sferen te creëren voor processen die met ruil en geld te maken hadden: de markt. En we creëerden een maatschappelijke sfeer voor regels en wetten: de overheid. Zo ontstond een driehoek met als hoekpunten de gemeenschap van burgers (ook wel: civil society), de markt en de overheid.
 
Marktwerking en decentralisatie
 Nagenoeg alle instituties van de verzorgingsstaat waren aanvankelijk burgerinitiatieven: sociale zekerheid, woningcorporaties, welzijnswerk, zorg… In veel gevallen stonden religieus geïnspireerde burgers aan de wieg. In de loop van de 19de en 20ste eeuw zijn die instituties bij de centrale overheid terecht gekomen. Die wist er echter niet goed raad mee: de kosten liepen enorm op, de instituties van de verzorgingsstaat werden als anoniem ervaren en er bleef hardnekkige ‘uitval’: mensen die nergens terecht konden, veelal omdat ze met veel problemen tegelijk te kampen hadden. Om die reden is de centrale overheid al decennia bezig om de instituties als het ware terug te duwen: deels naar de markt, deels naar lagere overheden. We kennen dat als marktwerking en decentralisatie. Met name die laatste beleeft momenteel een stroomversnelling door de drie grote decentralisaties per 1 januari 2015 (langdurige zorg, jeugdzorg en werk) en door de oproep van hogerhand om een participatiesamenleving te vormen. De overheid verandert in dat complexe proces. Dienstverlening en zorg staan steeds minder voorop. In plaats daarvan komt veiligheid, toezicht en controle: van verzorgingsstaat naar controlestaat. Dat gaat gepaard met stevige pogingen om de kosten te beteugelen. Met name de zachtere en meer preventieve vormen van zorg en welzijn staan onder zware budgettaire druk.
 
Wat kunnen burgers?
Tegelijkertijd – is het oorzaak? is het gevolg? – beleven we sinds enkele jaren een enorme opleving van sociaal initiatief in de ‘civil society’: energiecollectieven, stadsdorpen, zelfbeheer van publieke voorzieningen zoals zwembaden, buurthuizen en bibliotheken, enzovoort. Burgers zijn vitaler en beter opgeleid dan ooit tevoren en het moet gezegd: ze nemen hun verantwoordelijkheid. Nederland telt nog steeds bijzonder veel mantelzorgers en vrijwilligers, meer dan in de meeste andere landen.
De vraag is nu: wat kunnen burgers? Kan de opleving van burgerinitiatief compensatie bieden voor het afbrokkelen van de verzorgingsstaat? Om daar een antwoord op te geven moeten we nog iets preciezer kijken. Veel van die nieuwe burgerinitiatieven zijn te typeren als ‘sociaal doe-het-zelven’. De initiatiefnemers hechten bijzonder veel waarde aan authenticiteit, eigenaarschap. Daar zitten licht anarchistische trekjes in: de overheid wordt gezien als een falend instituut. En die niet alleen: eigenlijk zijn alle instituties verdacht, ook energiemaatschappijen, professionele zorgorganisaties en zelfs Oxfam Novib. We adopteren liever zelf een weeshuis in Tanzania dan contributie over te maken naar een als anoniem ervaren NGO. De ‘ondernemende burgers’ staan daarmee in een traditie van anti-institutioneel gedrag die de afgelopen decennia onder meer heeft geleid tot ontkerkelijking en de teloorgang van vakbonden en politieke partijen.
 
Ikke en zelfrespect
Die opkomst van autonomie en ikke-doen beperkt zich niet tot initiatief-nemende burgers, de hele maatschappij raakt er steeds meer van doordrongen. Ook veel vrijwilligers zijn er door aangestoken en dat geldt ook voor veel mensen die de dupe zijn van de afbrokkeling van de verzorgingsstaat.
Het nieuwe type vrijwilliger wordt wel aangeduid als zap-vrijwilliger: meer trouw aan zichzelf en de mogelijkheden om zich te ontplooien dan aan de instituties waarbinnen hij zich inzet, geen jarenlange dienstbaarheid maar klussen op projectbasis, impulsief en op basis van eigen inspiratie, energiek maar met een korte spanningsboog. Je kunt het afdoen als trouweloosheid en gebrek aan doorzettingsvermogen, maar waarschijnlijk heeft het meer te maken met een behoefte aan zelfrespect. Dat laatste geldt zeker voor de uitvallers van de verzorgingsstaat. Jongeren rond de 18 die in het gat vallen tussen Jeugdwet en Wmo, de groeiende groep Nederlanders die in schulden raken door oplopende huren en zorgkosten, (ex)psychiatrische patiënten voor wie in de oude instellingen geen plek meer is, ouderen die ondanks fysieke en sociale beperkingen langer thuis moeten wonen, of ze nu willen of niet. De tijd dat zij nederig hun hand op hielden en dankbaar bogen voor hun weldoeners ligt al heel lang achter ons.
 
Uitdaging
Het is een complexe combinatie: eigenwijze uitvallers door de afbrokkeling van de verzorgingsstaat en burgers die best iets willen doen, maar dan alleen op hún hoogstpersoonlijke voorwaarden. Het stelt de inloophuizen en buurtpastoraten voor een stevige uitdaging. Noch vrijwilligers noch uitvallers voelen zich sterk verbonden met instituties. Anders gezegd: ze voelen zich alleen verbonden met instituties voor zover die hen de kans bieden om zichzelf te zijn of te worden.
Veel inloophuizen en buurtpastoraten hebben in dat opzicht een streepje voor op de klassieke instituties van de verzorgingsstaat: ze staan doorgaans open voor iedereen en richten zich niet op hulpverlening maar op ‘er zijn’. Toch zullen ook zij hun stinkende best moeten doen om aantrekkelijk genoeg te blijven. Goede bedoelingen en de eigen inspiratie zijn daarvoor niet meer dan een startpunt – het komt erop aan de inspiratie van die eigenwijze vrijwilligers en uitvallers tot haar recht te laten komen en daarbij aan te sluiten.
 
Nico de Boer
 

terug
 
 
Meer dan een dak
meer
 
Wat doet Netwerk DAK?
meer
 
Ons werk wordt mede mogelijk gemaakt door